
Het verlangen naar een winterslaap is een verlangen naar kalmte om de dingen te laten rusten – het doet zich voor in de drukste maanden van het jaar. Ze denkt eraan hoe onhandig dat is, als ze in haar bed, het nest van groene dekens zit tegen de hoge muur die in eindigt in een punt. Als ze daar zit in haar ijskoude kamer dan denkt ze: misschien is dit waarover het gaat. Verlangen dat een obsessie wordt. De behoefte aan kalmte of de angst om gek te worden en hoe glibberig en griezelig dat voelde. Dat ging zo.
De drukste maand. De drukte in en om haar heen. De dozen met de boeken die werden gebracht door de vriendelijke chauffeur die ze koffie gaf, hij was heel vroeg begonnen. De boeken die maar bleven komen er kwam geen einde aan het stond tot in de keuken. De angst en ook het verlangen, dat ligt soms dicht bij elkaar, eronder te verdwijnen. Dat niemand haar zou zien ze wilde niet gezien het ging maar door de dozen nog meer boeken elke dag en wekenlang.
En dan de mensen. Niet alleen de boeken maar de mensen met hun wensen en hun vragen waardoor de winkel werd gevuld en alle zuurstof opgebruikt en er niets overbleef voor haar.
Het was heel koud de wind kwam uit het oosten vlak voor Kerst en toch de deur moest open blijven. Ze holde naar de deur de hele tijd de glazen deur de koude die van buiten kwam het werd heel koud, ze raakte in paniek als er geen lucht geen zuurstof was. Paniek omdat ze dan zo zonder opening naar buiten, dat ze in stukjes uit elkaar, geen antwoord op de vragen, uiteen te vallen op de grond in kleine deeltjes.
En er is niemand die iets ziet of merkt er is niks geks aan haar te zien.
Haar handen vouwen het papier in rood en groen en goud ze glimlacht voor zich uit. Ze vouwen het papier dat gaat vanzelf dat kan ze zonder te bekijken wat ze doet. Ze kijkt naar buiten naar de huizen aan de overkant de daken en de lucht en wat daarachter is. Het wijde blauw hoe hoog en eindeloos, het strekt zich uit waar niemand komt en in haar hoofd waar niemand komt. En hoe het licht over de daken strijkt het glijdt erlangs de kleur verandert. Van blauw en naar oranje en weer terug totdat het donker wordt dat gaat heel snel in deze tijd de wintertijd zo vlak voor kerst.
En terwijl ze de zorgvuldig uitgekozen pakjes feestelijk had ingepakt in mooi papier ging het intussen in haar hoofd, de witte flitsen heen en weer de kerstverlichting bij de buren aan de overkant. De lichtjes – ze knipperen hysterisch dag en nacht het houdt nooit op de flitsen in haar hoofd het houdt nooit op als ze daar staat.
En er is niemand die het ziet of merkt haar handen doen hun werk.
Het enige wat helpt is om te kijken naar het licht het schaarse licht en ook om niet te praten. De woorden – ze opsparen voor later. Het hoofd wil weg, haar nest heel hoog in huis daar is het ook ijskoud maar in haar nest liggen de warme groene dekens. Tegen de witte muur en waar het eindigt in een punt.
Het einde van het jaar en dat het kalm en donker is en dat de lichtjes doven, godzijdank ze zijn gestopt het batterijtje – het is uitgeput en opgeraakt na al die tijd.
En dat er niemand was en is geweest die iets gezien heeft of gemerkt. Een winterslaap de dingen laten rusten in het nest. Een winterslaap – geen woorden en geen zinnen slechts één punt.