Fragment 7: de groene stroom

Een tijdje later als je aan de kleine tafel zit klinkt er een vraag. Dan denk je er weer aan en ga je in gedachten terug en of het inbeelding of echt zo was geweest. Dat het vanzelf ging wat je deed toen je daar was. Het oude huis de rivier beneden. Was het een herinnering of een droom?

Je had de groene stroom gezien en gevolgd daar ging het om.

Aan de kleine tafel zitten, de opzoekbalie achterin de winkel waar concrete vragen klinken. Niet over hoe of wat, maar over is het boek in huis of te bestellen. Een duidelijke vraag een antwoord dat bestaat uit ja of nee. Je zoekt het op of weet het uit je hoofd, loopt naar de kast, het is volstrekt eenduidig allemaal.

Voorin de winkel helpt een collega een vrouw die staat te wachten, ze verpakt een kinderboek als cadeau. Een vrouw, haar kind dat naar de pennen kijkt die op de toonbank staan. Het zijn gekleurde pennen, ze hebben diertjes aan de achterkant, een krokodil een tijger of een kat. En de grap is, daarom zijn ze zo in trek, de kinderen op school het is een rage – wat ze zo aantrekkelijk maakt, los van de diertjes en de kleurtjes, is dat je uit kunt wissen wat je geschreven hebt.

Het kind reikt naar de gekleurde pennen en de moeder vraagt zich hardop af, het was misschien niet eens een vraag waarop zij werkelijk een antwoord had verwacht, ze vraag zich af of iemand nog met vulpen schrijft. En ook al zit je verderop iets op te zoeken, je hoort de vraag en je veert op. De impuls om overeind te komen en door de winkel heen te schreeuwen JA! Dat alle woorden met een vulpen, niet het goedkope soort, de prul in de vorm van een konijn of koe maar met een echte pen een zwarte pen een gouden punt een fijne klik wanneer de dop eraf gedraaid – het schreeuwt vanbinnen JA!

De pen met groene inkt die juist onuitwisbaar is, de woorden en de zinnen die ermee geschreven worden zullen blijven. De mooie kleur die speciaal werd uitgekozen en niet vlekt of verdwijnt. Het plezier om daarmee te schrijven. Je weet niet altijd wat er komt maar het plezier – met vulpen in het groen een groene stroom als de rivier beneden in het dal. Het huis stond op een berg en de rivier de groene stroom beneden.

Je was er in de middag toen de regen was gestopt naartoe gelopen. De scherpe bochten het ging steil je zag het groene water al de stroom maar het was evengoed een eind nog naar beneden. De zon brak door. Het asfalt dampte. De damp steeg op een ragfijn gordijn. Je liep door een nevelsluier in het felle licht, voelde de fijne druppels op je gezicht, de huid die ouder wordt het grijze haar omhoog de spelden in het haar de haarspeldbochten die je volgde tot je bij het water kwam de groene stroom. Dat was natuurlijk niet het water had geen kleur het leek maar zo het groen de groene bomen aan de waterkant. De koekoeksbloemen in de berm thuis zijn ze roze en hier wit de mooie witte bloemen als je eindelijk beneden bent.

En daarna in twee uur weer omhoog gelopen. Eerst langs het water dan een pad dat langzaam kruipt verraderlijk naar boven voert. Bewegwijzering die niet altijd duidelijk is of lang op zich laat wachten, de pijlen zijn er wel maar ze zijn schaars. Dan gaat het erom te vertrouwen. Dat je hier eerder had gelopen en de weg wel wist ook als je het niet wist en zonder navigatie, twee uur lopen zonder telefoon want die staat uit ligt onderin de kast, je ziet geen mens en bent niet bang.

Je had de groene stroom gezien en gevolgd daar ging het om.

De groene stroom toen je daar was maar thuis is het weerbarstig zoals het grijze haar dat met de jaren stugger wordt, met spelden opgestoken zodat het nog wat lijkt.

De overzichtelijkheid achter de opzoekbalie, de helderheid onder de felle lampen in de winkel, maar voor de rest – weerbarstig is het woord. Je komt er nauwelijks bij. Wat er gebeurde. Geen stroom het lijkt zo hoekig allemaal alleen de ronde steen de stapel volgeschreven vellen kladpapier en wat je schreef. Je leest niets terug.

Hoe kan het doorgaan als het steeds wordt onderbroken en weer in fragmenten gaat, De brokstukken die overbleven. Hoekig en niet gladgeslepen. Je denkt is het een herinnering of een droom.

Hoe het huis je ontving en in haar armen sloot

Het oude huis met dikke muren, luiken voor de ramen en een lange gang. Een lichte houten vloer en er hangt kunst aan beide zijden aan de wand. Werken van bevriende kunstenaars, het is een gang vol kunst met stoelen langs de zijkant, allemaal verschillend en netjes op een rij, zodat je ergens zomaar ergens kunt gaan zitten, halt houden onderweg naar elders in het grote huis, gaan zitten om iets te bekijken er is heel veel te zien je kunt dat doen, als je hier bent, je hebt de tijd om dat te doen.
In de lange gang aan die kant van het huis zijn drie kamers die heel verschillend zijn, elke kamer heeft zijn een eigen specifieke sfeer. De kamer aan het einde rechts is kamer nummer drie, dat is de kamer met behang en uitzicht op de tuin. Met hoge ramen waardoor het licht naar binnen valt, de luiken zoals voor alle ramen in dit huis en in de straat het hele dorp. De luiken aan de buitenkant je kunt ze naar de zijkant klappen, ze met een metalen beugel vergrendelen, zodat ze niet klapperen in de wind het waait vaak hard. Het is een eenvoudig systeem dat al eeuwen uitstekend werkt. En het leuke is, het is een van de vele details in dit huis – de roestbruine metalen beugel die vast zit in de muur heeft de vorm van een vrouwenhoofd. De vrouw klemt hier de luiken vast zodat ze niet klapperen in de wind.

Het huis ontving je en sloot je in haar armen.

Door de kunstgang gaan als het nog donker is en iedereen nog slaapt. Een groen kaarsje in een glas om in de vroege ochtend, op het platteland met nauwelijks straatverlichting, er komt geen licht van buiten, je loopt haast op de tast, niets anders dan een groene kaars om bij te lichten. De lange gang en dan de hoek om tot een zware houten deur. Hij klemt. Er zit een hendel voor. De hendel moet omhoog geschoven worden, dat gaat niet met één hand. Het lichtje even laten rusten op de stenen vloer, eerst was het hout maar om de hoek daar zijn het tegels.

En ja: het huis is groot er zijn ontzettend veel details, het sloot je in haar armen.

De zware deur die klemt, daarna nog een gang, een gang met ramen en aan het eind de keuken waar je staat te wachten tot het water kookt. De nacht die overgaat in dag, je staat te wachten tot het water kookt. Je kijkt. Kijkt naar de overkant naar links, de linkerpoot het huis is in een U gebouwd, het laatste raam, een zwak oranje schijnt naar buiten. Je hebt de kamer net verlaten, de geur van slaap was nog aanwezig.
Je kijkt alsof je naar jezelf kunt kijken. Naar wat er in de kamer met de letters en de woorden – wat daar gebeurt een geheimzinnig procedé het is ontzettend vaag. De woorden en wat gaat erachter schuil, wat zeggen ze, en wat houden ze verborgen. Het is een hele wereld in fragmenten, waarop je vat probeert te krijgen. Je verzint een kort verhaal met personages, je geeft ze zelfs een naam die past bij hun geboortejaar, je had dat opgezocht, daar zijn lijsten van op internet. En hoe vaker je een verhaal vertelt, hoe ronder het wordt, afgesleten als een steen die in het water al zijn hoekigheid verliest. Maar het was geen kort verhaal, het was niet rond. Het was gefragmenteerd, veranderde de hele tijd, op afgescheurde pagina’s met rafelige randen, rafelige zinnen, halve woorden die met potlood werden opgeschreven. De volgeschreven vellen liggen op een stapel, de steen er bovenop, de steen een presse-papier.

Hoe zou je kunnen denken dat er een logica schuilt in de gebeurtenissen die je beschrijft, en dat dit alles helpt de chaos te bedwingen. De chaos en geheimzinnigheid in wat je ziet wanneer je kijkt.

Je probeerde er een foto van te maken. Wat je zag vanuit de keuken wachtend tot het water kookte. Je zag de hoek van het immense huis, de oude muur die zo ontzettend dik, de luiken – oh die luiken – ze waren half geopend, je had ze net geopend toen je wakker werd en één lamp aangedaan. En je zag het alsof je naar jezelf kon kijken. Het grootste diafragma en een lange sluitertijd – maar het bleef vaag, een zwarte vlek een onherkenbaar beeld. De ochtendschemering en nog te donker, het was niet vast te leggen vast te houden wat daar in die kamer, wat er werkelijk gebeurde aan de rand van deze dag en alle dagen het bleef vaag, onzichtbaar slechts een schim, een veeg, een vlek.

Het huis dat je ontving en in haar armen sloot – je ziet het huis.

De dingen die er zijn. Als je in je eentje bent dan kun je beter kijken, je kijkt de hele tijd, naar wat iets maakt tot wat het is zo specifiek. Het huis ontving je maar gaf niet alles prijs, en wat hield ze verborgen in de hoeken en de hoekjes, de gangen en de kamers in de tussenruimte. Het was te groot. De woorden – ze zijn ontoereikend voor het raadsel dat zich in de hoeken in een schaarsverlichte kamer aan de overkant bevindt.

De kieren van de dag

De tweede week kantelde het weer, dat sowieso heel grillig was. Er waren mensen die voortdurend de voorspellingen checkten op hun telefoon, maar Mia deed dat niet. Als ze de luiken had geopend van het grote oude huis, dan keek ze naar de lucht die blauw was of bewolkt of grijs en alles wat daartussen zat, genoot van het uitzicht met de heuvels in de verte, het licht dat telkens anders was.

Maar nu veranderde het werkelijk, de citroenboom die tot dan toe binnen stond omdat het zo hard waaide, hij had een eigen plekje in de tuinkamer aan de achterkant. Een mooie lichte kamer waar het zonnig was met openslaande deuren, de bijen konden er naar binnen vliegen, de boom leek wel te zoemen in zijn pot. De wind was gaan liggen, de kou uit de lucht verdwenen, en de boom met zijn gele vruchten was naar het balkon gereden. Het weer was gekanteld en het kantelde in haar. De roerloze zoemende toestand waarin ze was terechtgekomen was voorbij.

Mia werkt heel hard de laatste dagen. Geen dutjes meer, veel koffie – twee scheppen elke keer, de French press die ze in haar kamer heeft. Het is heel anders dan de eerste week, toen ze voortdurend naar de Proxi liep wanneer het stokte.

Pauline die de Proxi runt, zij werkt ook hard, haar winkel is behalve donderdag alle dagen open. Ze zet de kranten in het rek en rijdt het rek naar buiten. Ze kijkt en voelt welke groente nog een dag kunnen en of er bij de kaas iets bedorven is. Ze veegt het gangpad aan, soms wel vier keer op een dag afhankelijk van het weer. En Mia had daar uren doorgebracht op zoek naar inspiratie, de kleine épicerie in het buitenland, twee gangpaden, één stelling in het midden – het was fantastisch materiaal, als ze langs de schappen liep, was er telkens iets, iets specifieks dat haar in verrukking bracht. Maar nu is het voorbij, haar uitjes naar de Proxi zijn verleden tijd.

Ze heeft nog weinig tijd, ze voelt het hijgen in haar nek. Haar zinnen ongebreideld ongeremd te kunnen schrijven, ongestoord te werken in de mooie kamer met behang met uitzicht op de tuin. Niet alleen de kieren van de dag gebruiken zoals thuis, de de tijd die overblijft wanneer de dingen zijn gedaan van praktisch nut. Niet alleen de kieren maar de hele dag en alle dagen.

De stapels kladpapier, de boeken en papieren die zijn meegekomen. De koffer was heel zwaar, toen ze hem in Parijs, van het ene naar het andere station achter zich aan, een wieltje haperde het was een wonder dat-ie het had volgehouden. En in de trein die naar het zuiden ging, toen iemand had geholpen hem omhoog en in het rek te tillen, het bagagecompartiment voor grote koffers, het onderste vak stond al vol, iemand had het ding omhoog getild en zich daarna hardop afgevraagd of er soms bakstenen in zaten.

Het kladpapier van thuis ze schrijft het vol, en ook de dunne vellen die al naast de schrijfmachine lagen. De tomaatrode Remington die op tafel staat, hij maakt zo’n fijn geluid als ze de letters met een ferme klik op het papier – ze typt en schrijft, ze schrijft met potlood of met groene inkt, ze krijgt het warm, er komt geen einde aan, het breidt zich uit, net als het zoemen dat ze hoorde, het geluid dat eerst binnen en toen buiten was, ze schrijft het wordt steeds groter strekt zich uit, een roze bel, hij vult al gauw de hele kamer en het huis, de tuin het hele dorp.

Op de dag van haar vertrek een donderdag, legt Mia de volgetypte vellen netjes in een stapel naast de schrijfmachine. Ze heeft iets afgekregen net op tijd. Ze stift haar lippen, loopt naar de auberge op het plein. Het is half twee in de middag, ze krijgt een tafel bij het raam, bestelt de plat du jour, en een glas witte wijn.

Schuin aan de overkant zit een groepje mannen aan een lange tafel. Er is er één in overhemd met nette schoenen, hij heeft een map, een blauwe met een elastiek, die van de Proxi komt. Het schap met papier en schrijfwaren – ze was verheugd geweest toen ze het ontdekte. Naast hem zit een jonge vrouw, die Mia alleen van achteren ziet. Ze drinken wijn bij de lunch net als zij, als iedereen, ze zullen straks hun werk hervatten wat voor werk dan ook.

Haar eten wordt gebracht, het is eenvoudig maar uitstekend, ze eet met smaak en drinkt haar wijn en kijkt naar buiten. De druiven die over de pergola groeien staan al flink in blad, de zwaluwen vliegen over – ze vliegen hoog of laag en wat dat voor het weer betekent, dat kan ze niet onthouden. Ze kijkt naar buiten en daarna weer naar de mannen aan de lange tafel, die druk zijn met elkaar. Ze beziet de jonge vrouw, ze buigt zich naar de man die naast haar zit, degene in het overhemd. Dan ziet ze het, herkent ze haar: het is Pauline van de Proxi! De jonge vrouw die zo hard werkt, het uitje van de week, haar kier van deze dag.

En dan ziet zij, de vrouw die thuis ook heel hard werkt, een duidelijk stramien dat prettig is voor iedereen maar soms knellend wordt – ze ziet het helder. De kieren van de dag. Ze denkt aan de metalen schuifjes op de Remington die je kunt verstellen, ze zover naar het midden schuiven dat er aan de randen van een vel papier nog heel veel lege ruimte overblijft. Ze denkt: de kieren, de marges -ze zijn zo groot als je ze maakt.

Mia eet gauw de rest van de salade bij het hoofdgerecht, ze slaat dessert en koffie over. Haar trein vertrekt nu spoedig, ze moet haar koffer pakken. De mannen en Pauline van de Proxi lepelen hun panna cotta uit de kleine glazen schaaltjes, zij drinkt haar laatste wijn en vraagt de rekening. En terwijl ze wacht op de vriendelijke ober, de eigenaar van het etablissement – en in de verte staart weet ze dat er zich iets nieuws van binnen heeft gevormd. Fragiel en teer net als het kleine plantje in de muur die de grote tuin begrenst, het plantje dat daar onopvallend groeit als je het ziet als je goed kijkt, het groeit en zal niet stoppen want de wortels – ze zijn ijzersterk.