De stonden

Ze dacht dat het gestopt zou zijn. Nu ze niet meer is overgeleverd aan het natuurlijk verloop, de grilligheid die onhoudbaar was geworden. Nu ze elke ochtend een roze pilletje slikt. Uit de strip gedrukt en met een glas water weggespoeld; het is het eerste dat ze doet wanneer ze opstaat, want och jeetje – de kalmte.

De dingen binnen het gezin. De spullen de geluiden en de mensen in het huis – de afwas, vieze borden-kommen-bekers in de gootsteen op een stapel, smerig water dat erin blijft staan en dat gaat ruiken – het beukte op haar in. Ze probeerde er wel weerstand aan te bieden (natuurlijk deed ze dat), maar ze voelde zich een drenkeling, het grote bed een drijfhout waarop het eindigde aan het einde van de dag.

Op miraculeuze wijze is het minder geworden na al die jaren; het roze pilletje slikken is lijfsbehoud. Want de kalmte – och jeetje de kalmte.

Ze dacht dat het zou stoppen maar de stonden – ze zijn er nog, het is een raadsel.

De eerste dag dan wordt het broos, de zachtheid die ze plotseling ervaart, een fragiele stemming alsof er een sluier over alles wordt gelegd. Stonde komt van standen, staan; een moment om stil te houden. Kippensoep maken zoals ze vroeger deed, voor de meisjes als ze ziek waren, thuisgebleven van school en met een dekentje op de bank. Nu wil ze zelf met een dekentje op de bank nadat ze het karkas van een dood dier met groenten en verse kruiden in de grootste pan heeft opgezet, wachtend tot de geur loskomt en zich door het huis verspreidt.
Onder de mosgroene deken in een leeg huis dat geurt naar soep denkt ze aan een ontmoeting die ze kortgeleden had. Ze hadden afgesproken op een terras, een oud café gelegen aan een plein, nadien was ze de naam vergeten. Zij had een tafel buiten uitgekozen, ze was vroeg en had vast een zwarte koffie besteld, rustig kijkend naar de bomen die nog vol in blad heel groen het had geregend, het geroezemoes van de mensen achter haar. En toen hij aan kwam lopen, verheugd lachend toen hij haar vanuit de verte zag. Een arm om haar heen geslagen, haar bedachtzaam aangekeken en hoe is het gevraagd. Gewacht op een antwoord tot er voor hem ook koffie werd gebracht. Hoe is het – een vraag die het hele leven omvat wat kies je uit. Er was tijd, hij had de tijd hij kan goed luisteren.

De Tweesprong – dat was de naam van het café. Het geheugen dat is ook zoiets, namen en titels van boeken of films, het was nooit een probleem. Maar nu. De alledaagse woorden die plots verdwenen lijken als je ze nodig hebt, woorden waar je niet lichtvaardig mee om moet springen. Café De Tweesprong op het terras onder de bomen. Daar probeerde ze er iets over te vertellen. Want het is belangrijk hè, dat dit alles wordt gezegd en opgeschreven keer op keer, zodat ze niet steeds zo glazig gaan kijken wanneer je erover spreekt.

Het ging erover hoe het zand zo in je voeten prikte. Niet op het strand maar thuis. Zand dat was achtergebleven, bezoek dat was geweest. De woonkamer, de slaapkamer, de zolder – het zand lag door het hele huis, het was mee teruggekomen van een dag aan zee, de handdoeken waren in het trapgat uitgehangen. Na afloop zat het overal het prikte in je blote voeten scherpe puntjes als hele kleine splinters glas je kon het niet verdragen je bleef maar poetsen, woest met de bezem heen en weer de stofzuiger, het duurde eindeloos voordat het was verdwenen uit de kieren en de hoekjes al het zand.

En in die tijd – het was alsof je het in je hele lichaam voelde zoals heel veel dingen die je in je hele lichaam voelde. Het was een van de sensaties en zo waren er veel – een moment dat werd uitgerekt, het duurde weken-maanden-jaren, je voelde je een gummibeer en was benieuwd wanneer het knappen zou. Het was niet mogelijk, normaal functioneren ging ternauwernood. De gedachte gek te worden en hoe beangstigend dat was.

Met de roze pil begonnen, overeind gebleven, ze zat hier, ze sprak erover, ze was kalm.

En het raadsel van de stonden. Ze zijn er nog gelukkig maar. De golfbeweging is niet afgevlakt waar ze zo bang voor was, wat maakte dat ze heel lang had gedacht er op eigen kracht doorheen te kunnen gaan. Zo ging het niet, ze kon het niet. En toen ze eindelijk zover was, naar de huisarts toegegaan, het eerste recept opgehaald bij de apotheek – op de fiets had ze gehuild. Van opluchting. En van nog iets anders dat ze niet direct kon duiden maar het oudste kind – zij had gezien nog eerder dan de moeder zelf, gezien en opgemerkt, ze zei het zachtjes: je bent niet verslagen mam, je hoeft niet te huilen.

Overeind gebleven, niet verslagen. De stonden – misschien blijven ze altijd. Een stemming die verandert telkens weer zoals de lucht, het licht verandert telkens weer. De onderstroom die niet verdwijnt en steeds aanwezig is. Als je ernaar luistert. Als je stilhoudt op de bank onder een groene deken in een huis dat geurt naar soep.

De papieren wereld waar ze zo van houdt

[aantekeningen uit het zwarte boekje]
Het houdt op wanneer het gillen begint. Als de verneveling is aangezet, een dunne sluier van water om onderdoor te lopen. Als het springkussen wordt opgeblazen, het afzichtelijk lelijke ding dat nu nog op de grond ligt als een slappe ballon aan de rand van het terras. Als de muziek aangaat en de kinderen komen. Het maakt ze niet uit dat het heet en stoffig is, ze komen zodra het ding in fletse kleuren beige en lichtbruin zijn vorm heeft aangenomen en zich triomfantelijk heeft opgericht. De glijbaanachtige constructie achter de twee hoge torens aan de voorkant – ze gaan er joelend van plezier naar binnen en zullen tekeergaan zoals elke ochtend om deze tijd.
Voor haar houdt het op als het gillen in het springkasteel begint en dat geeft niet. Want zij weet intussen dat de papieren wereld waar ze zo van houdt – dat ze daar steeds naar terug kan keren.

Het was het jaar van de hitte en de droogte, toen het maanden achtereen niet had geregend, de bomen waren in juli al zo geel geworden dat het leek alsof de herfst begonnen was. En er waren mensen die verheugd uitriepen dat het weer zo heerlijk was en dat we boften met zo’n mooie zomer. Lieve help, als je er toch zo naar kon kijken.

De hitte en de droogte door het droge land, een playlist zoals elk jaar die door de raampjes schalde, het landschap dat steeds geler werd. Ze dacht aan de verschroeide aarde, de titel van een boek uit haar kindertijd. De snelweg eindigde het werd provinciaal en ging in bochten voort, goudkleurige rollen brandend in de zon. Een dorp en nog een dorp. Een pittoreske torenspits maar wanneer je er doorheen reed viel het tegen. Verlaten of vervallen huizen, geen bakker meer of een café wie woont hier nog. Uiteindelijk een bord een naam een kronkelweg die naar een stoffige parkeerplaats leidde. Het uitzicht was fantastisch. Glooiend waar je ook maar keek, bomen in de verte, roodbruine koeien zelfs een stier bij het hek. En ze hadden een plek aan het water gereserveerd, de meisjes hielden daarvan, het zou heerlijk zijn. Het was stil alleen de krekels ze zuchtte diep.
De man achter de receptie – een klein hokje in een laag gebouw dat ook dienstdeed als bar, er stonden tafels, er was een kast met spelletjes en een minibieb – de man oogde vermoeid. Plaats zes. Hij wees het aan. Een grote plattegrond die op de houten wand van schrootjes was geprikt. Plaats zes, dat klopt is aan het water maar er is geen water of althans het staat heel laag en er zit blauwalg in je kunt daar niet in zwemmen.
De plaats die zorgvuldig uitgekozen was, maar dat was thuis en toen in februari, toen ze nog niet wisten wat de zomer brengen zou. Er was geen schaduw en de grond was droog er vielen barsten in, het gras ging richting bruin er stond één boom. Alleen in de ochtend tot een uur of, tja ik weet dat niet precies mevrouw maar niet heel lang, zo rond de middag is het gedaan dan staat de tent het kampement – te branden tot het donker wordt.

De gezinsvakantie, gek dat ze het elk jaar weer vergat, de vakantie was de lakmoesproef.

Ze was niet meer aan handen en voeten gebonden zoals aan de andere kant van het pad dat naar beneden liep. Daar stond een caravan met een luifel, een veldbedje dat meedraaide met de zon om uit de zon te blijven. Een kleine blonde vrouw met tatoeages op haar arm, de arm waarmee ze het campingbedje bewoog wanneer de baby huilde. Een jongetje rende voortdurend over het geel-bruine gras met een stok Hier kom ik aan! Hier kom ik aan! En een meisje met een luier dribbelde rond de tent. De aarzelende stapjes. De plakkerige handjes. De wiegende beweging van samen lopen als alles nog heel traag zo tergend langzaam gaat.
Niet meer zó gebonden maar de gezinsvakantie – je weet niet waar je terecht komt en wat je aantreft in de hitte en de droogte. De dagen worden opgerekt, ze duren eindeloos er wordt gegild ook in de avond, de nachten zijn te kort. Toch staat ze ’s ochtends heel vroeg op om alles voor te zijn. De kalme stilte waar zij zo van houdt.
Dan vertrekt ze met haar paarse tas. Het zwarte boekje, de schrijfspullen van thuis bijeen gegrist, erin gedaan als iedereen nog slaapt. Ze volgt het pad loopt naar beneden langs de witte caravan aan de overkant. Het is een plek die ook heel weinig schaduw heeft en dan drie kinderen – mijn hemel, het gehannes in de warmte.
Ze ziet de jonge vrouw, het web van bloemen op haar arm, er staan een pot Completa en een asbak voor haar op de tafel; het plastic tafelkleed en zo’n ding dat je met een pin naar beneden drukt om de peuken onderin te laten verdwijnen, zodat het niet zo ruikt al ruik je het natuurlijk toch de illusie om te denken dat dat niet zo is. De vrouw zit met een vermoeide lege blik onder de luifel te roken.

En zij, de moeder met de paarse tas, bij haar hollen ze niet meer met een tak of dribbelen onvast rond de tent, maar het verlangen is niet minder geworden met de jaren. Om weg te gaan en uit te breken, geen anker te hoeven zijn, niet de hele tijd.

Een kamer voor jezelf – het kan er ook uit bestaan dat je op de camping in de hitte, de gedeelde ruimte en nergens een deur die sluit. De spreekwoordelijke ruimte bevindt zich op het terras achter het kleine barretje, daar staan biertafels, sommige houtkleurig andere rood, ze heeft een rode gekozen met haar rug naar de bar en uitkijkend over het veld. Het eindeloze weergaloze uitzicht, de roodbruine koeien drinken water uit de beek die tot een klein stroompje is gekrompen, ze staan onder de bomen in de schaduw en kijken lodderig uit hun ogen. Op het ruime terras als het nog koel is, het luchtkasteel een lege huls en er nog niemand anders is.
Zij zit daar om de fragmenten te kunnen schrijven die betekenis geven aan het leven dat zij leeft. Ergens vat op proberen te krijgen. Wat gaat er schuil achter de dingen en de mensen, een magische wereld die verborgen is als achter een heel dun gordijn. Je komt daar nauwelijks bij. Maar blijf er wel naar reiken! Blijf woorden zoeken voor wat daar gebeurt! De poëzie van het dagelijks leven beschrijven telkens weer!

Hoe het huis nog een keer met stemmen werd gevuld

Halverwege de middag was er een fles tevoorschijn gekomen, de ronde kommetjes hadden als borrelglaasjes gediend. De sterke drank in een keer achterover slaan. Schnaps drinken uit de kleine porseleinen bekertjes. Een laatste groet. De vrolijkheid van samen drinken, op haar proosten, de glans die zij de dingen gaf en dat ze niet verdwenen was niet echt. Ze was nog in de bloemen op het veld, in de hemel erboven en in de zon die zo gemeen fel scheen de hele dag en alle dagen – zij was het allemaal.

Het was steeds stiller en leger geworden de laatste jaren, toen ze alleen was gebleven in het grote huis. En of ze eenzaam was – ze had dat niet gedeeld, zoals ze veel niet had gedeeld, ze had zich langzaam teruggetrokken en keek uren uit het raam. Alleen te zitten in de hoge witte kamer die kaal was, zodat de binnenruimte het skelet steeds beter zichtbaar was geworden. De hoeken en de strakke lijnen – ze hield daarvan. En de spullen, het leidde af van waar het voor haar over ging, het meeste had ze weggedaan er stond alleen een tafel en een stoel. Ze keek naar buiten naar de lucht die blauw was of bewolkt of grijs en alles wat daartussen zat, liet zich verrassen door het licht dat telkens anders was, de bomen aan de overkant het Zwarte Woud.
De kale muren kale vloer de akoestiek de galm, als zij belde toen ze nog belde – je hoorde het direct. Zij liet zich kennen door haar huis dat in zeker zin een kunstwerk was. Een porseleinen kommetje op de vensterbank in de keuken waar het licht zo mooi op viel. Het was een cadeau van een oude vriend geweest die haar wilde bedanken. Alles had zijn plek. Wat ze neerzette – het was weinig en daar dacht ze over na.

En toen werd het witte huis nog een keer gevuld. De stemmen en de levendigheid, de verhalen die we over haar vertelden, we hebben allemaal ons eigen verhaal. En ook al was het vreemd juist op die dag de vrolijkheid, er was behoefte aan na al die tijd, een bepaalde vorm van opluchting was er ook, en het verdriet – het werd nog even uitgesteld. Alle mensen, heel veel mensen van veraf of dichtbij, de kinderen en kinderen van kinderen, de zus en zwager, neven nichten, kinderen van neven en nichten, buren, mensen van vroeger, vrienden van de kinderen van vroeger. En deze mensen die elkaar nog een keer troffen voor het laatst op deze plek, haar huis – ze wisten dat het verdriet later komen zou.

Thuis staar je naar buiten en probeert erbij te blijven, dan kijk je naar je hand die met een potlood op papier naar woorden zoekt. Dit alles. Er iets van te vatten wat er is gebeurd en wat de middelpuntvliedende kracht is van dit verhaal.

Het gaat erover dat alle stemmen klonken en versmolten op één moment een brandpunt in de tijd.

We waren blij dat wij daar samen, een gezamenlijk verhaal dat daar ontstond omdat we wisten – het was zo ontzettend fijn om met elkaar aan haar te denken. Te eten en te drinken, dat begon al vroeg dat moest gewoon dat hoorde er nu eenmaal bij een grote teil gekoelde drank stond in de keuken. Er waren zelfgebakken taarten, Kaffee und Kuchen zoals dat op een bruiloft gaat, en er was brood en kaas en worst, we waren hongerig want de emoties hè, er werd gegeten en gedronken. De bierflesjes tegen elkaar al rond het middaguur, er werd gelachen er was vrolijkheid het werd haast liederlijk omdat we wisten – een hete zomerdag, het witte huis, het kleine dorp, we wisten dat het voor het laatst zou zijn.

En naderhand de hand die het probeert te schrijven, een potlood en een puntenslijper in een stenen bakje; een kommetje van verweerd porselein met een blauw motief een lijnenspel dat vaag geworden is.

Je kent de ander niet, niet werkelijk. Alleen door wat je doet wat zichtbaar is naar buiten, een leven trekt voorbij, en wat zich onderwijl vanbinnen afspeelt – het is een raadsel. Je kent de ander niet. Het begint – in dit verhaal begint het met het huis en hoe de stemmen klonken. Hoe ze woonde, wat ze wilde laten zien – haar huis, het eindigt met het witte lege huis.