Pad

Ze zag een pad, hij zat midden op de weg, op het schelpenpaadje waar zij elke week loopt. Een plat, bruin diertje dat heel snel ademhaalde. Van schrik waarschijnlijk, haar komst had hem gestoord. Even hield ze halt: de verbazing, ze zag nooit eerder een pad. Wel kikkers natuurlijk, de groene variant, daarvan zijn er heel veel, het wemelt ervan. Maar een pad, wat deed hij hier, was hij soms verdwaald?
Later, aan het ontbijt. Op zondag, met gekookte eieren, boter in in een hartvormig schaaltje, en rijprode tomaten op een bordje waar een hoekje vanaf is, maar dat toch in gebruik blijft. Ze vertelt dan over de ontmoeting met het beestje en het oudste kind roept het uit. Gauw wordt het boek van zolder gehaald. Bijna valt het uit elkaar, de rug werd geplakt met grijs plakband. Hoe ze er samen uit lazen, telkens weer. De meisjes, ze waren toen nog heel klein – het is tien jaar geleden dat de moeder het kocht. Korte verhalen zijn het, met vaak maar één gedachte, en wél een plot. Daar kan zij nog wat van leren.

Dagen daarna stapt ze uit de trein op een bloedheet verlaten station. De overgang tussen lichaam en lucht is nauwelijks voelbaar. Er is verder niemand, de wereld lijkt verlaten in de hitte. En dan hoort zij dat geluid. Een lage, donkere grom, als van diep uit een keel. Ze houdt stil om te luisteren als het nogmaals klinkt: een holle grauw, in wanhoop geuit. Verderop is een vijver, maar hier is het stoffig en heel droog, geen plek voor dit dier.
Na even zoeken ziet ze hem zitten; de kikker heeft naast het perron in de schaduw een heenkomen gezocht, zijn felgroene lijfje gaat vlug op en neer, en het voorwereldlijke geluid ontsnapt hem steeds sneller. Zij heeft de neiging hem op te pakken en bij het water neer te zetten. Maar dan is hij zelf alweer weggesprongen en ziet ze hem niet meer.

Op een dag is er maar ruimte voor één zin. Hoe ze na een extreem hete nacht – ze lag onder een laken, in een bed apart – nog vroeger is opgestaan. De voordeur staat open om door te waaien, en overal staan spullen, de kampeervakantie nadert nu gauw. En die ene gedachte laat zich niet verjagen; de stilte, de leegte, nu kan het nog. Over hoe een pad en een kikker elkaar vonden aan de ontbijttafel; hoe ze pardoes neerstreken tussen de lege eierschillen en een beker met een restje thee.
Soms vraagt zij zich af wat van waarde is in de vluchtige wereld, en wat er overblijft. Een paar dierbare spulletjes draag je een leven met je mee. Een ketting met vier kleine vogeltjes die van haar tante was. Een oud blik uit een sigarenfabriek, zij bewaart daar haar vullingen in; in zwart en groen en blauw. Maar bovenal is het natuurlijk dit: de verhalen die we elkaar vertellen, voorlezen en voorleven – telkens weer.

* Alle verhalen van Kikker & Pad – Arnold Lobel (Ploegsma, 1979)

We weven een web van woorden zinnen beelden

Een vrouw is alleen thuis, haar man en kinderen zijn elders. Haar gedachten en handelingen worden niet onderbroken, zij kan hier beginnen en daar eindigen – precies hoe zij het wil. Zij drinkt een glas wijn. Ze leest de weekendkranten. Tegenwoordig kan ze nog maar één glas drinken, daarna raakt de blik vertroebeld, de geest in mist gehuld, dat doet ze alleen nog op feestjes, dat wil ze nu niet. Ze luistert naar de soundtrack van een Duitse film die ze kort geleden zag, waarin een vrouw, die precies zo oud is als zij, samenleeft met een robot. Pas wanneer die vrouw meer dan één glas wijn drinkt, veel meer, verzet zij zich tegen de algoritmes van de op een mens gelijkende computer. Ich bin dein Mensch. Het was een boeiende film, de muziek was prachtig, die luistert ze graag.
Later kijkt ze een documentaire op haar laptop over een bekende fotograaf.* Ze scheurde het stukje meer dan een half jaar geleden uit de krant, en nu heeft ze gelegenheid er daadwerkelijk naar te kijken. Ze hoeft niet eerst de afwas, de was en de kinderen te doen. Dat hoeft ze allemaal niet, ze kan gewoon gaan zitten, de afwas laten staan.

De fotograaf zegt: Ik denk nooit over dingen na van tevoren; die dingen ontstaan gewoon. Alles gebeurt bij mij per ongeluk. Zij denkt: deze man behoort tot de top van de Nederlandse fotografie; hij beheerst zijn gereedschap als geen ander, hij maakt de mooiste portretten. Dat gebeurt niet per ongeluk. Maar ze snapt wat hij zegt. Zinnen noteren die onderweg invallen. Je hoeft alleen maar te stoppen om ze op te schrijven. Dat is de kiem waaruit iets ontstaat, dat gebeurt per ongeluk.
Hij laat een boek zien van collega-fotografen die hem inspireren. Hij bewaart zijn eigen foto’s tussen de foto’s van anderen, ze horen bij elkaar. Hij toont een portret van Miró met zijn dochter Dolores. Het is een prachtig beeld waarin alles klopt: het licht, de houding van die twee mensen, hun blik. En hoe hij later ontdekte dat dit beeld, dat heel origineel overkwam, geïnspireerd was op een schilderij. Hoe dat dus werkt, beelden die zich aan je voordoen en waarmee je iets nieuws creëert. Hoe belangrijk inspiratie is.

De vrouw denkt eraan hoe ze diagonaal op haar bed ligt, op het gele overtrek dat zo mooi kleurt bij het omslag van het boek dat ze leest. Alle boeken die ze leest. De teksten van anderen die aanzetten tot nieuwe teksten. En ze denkt eraan hoe fotografie en schrijven in zekere zin op elkaar lijken. Dat dacht ze al eerder. Waar laat je het licht op schijnen, welke uitsnede maak je, wat is het perspectief?

Ruimte om iets te laten ontstaan en focus om daarbij te blijven – daar begint het mee. Dan kun je iets voelbaar of zichtbaar maken dat uitstijgt boven het alledaagse en tegelijkertijd daarin geworteld is. Wat kies je, welk beeld wil je bewaren voor later? We weven een web van woorden zinnen beelden. En soms lukt het, dan weet je, zie je, lees je, schrijf je: dit is goed, dit is gelukt.
De fotograaf weet het vaak meteen, als hij het juiste portret geschoten heeft. De vrouw moet een stap naar achteren doen; van een afstandje kunnen kijken naar wat ze gemaakt heeft. Zij opent de deur, buiten is het kil, ze heeft een lang blauw vest aan en drinkt koffie op het stoepje bij de keuken. En dan weet ze het ook.

* Het oog dat voelt – De portretten van Koos Breukel, geregisseerd door Lex Reitsma, in: Close up (2021)

Er was meer tijd

Houten tafels en banken in een binnentuin; de hoge oude huizen begrenzen het plaatsje waar de zon niet meer komt. Aan het begin van de avond is het fris, maar dat geeft niet, we hebben warme vesten over onze feestjurk aangetrokken. Binnen staan frisgroene salades en quiches uitgestald, schalen met brood en kaas, zilverkleurige bakken met ijs om de wijn koel te houden. En als dessert is er een taart in lagen: zoetzure confiture en gele room tussen cake, waarvan grote stukken gesneden zijn. In cirkels lopen we er omheen, we vullen onze borden.
Ik schuif aan bij een groepje meiden – of laat ik zeggen: jonge vrouwen, ze zijn begin twintig. Ze spreken achteloos en met veel flair over hun schreden in de literaire wereld. Een boekpresentatie waar ze gevraagd werd de wijn te schenken, en waar ze na afloop dronken werden met de auteur. Een stage bij een gerenommeerd tijdschrift; waarvoor ze een interview met een bekende Amerikaanse schrijver maakten. Niets houdt hen tegen, alles is mogelijk. Moeiteloos schakelen tussen studies en baantjes, en slecht betaalde stages – het maakt hen niet uit. Ze zijn gedreven en ambitieus; ze gaan er zonder aarzelen op af.

We drinken wijn. Eén van hen haalt de fles van binnen en schenkt vaak en veel bij. We bietsen sigaretten van een collega die wel nog rookt, ik rook voor de gelegenheid met hen mee.

Hoe dat in mijn tijd was, vragen ze, en ik denk eraan terug. Ik denk aan het huis, de studie, de vriendinnen. Dat ik één telefoon had, die in de hoek van de kamer stond. Wanneer die overging was het meestal mijn moeder, daar had ik niet altijd zin in, dan sprong het antwoordapparaat aan. En dat ik tussen het studeren door veel middagdutjes deed. In een houten twijfelaar die achter de boekenkast stond in de andere hoek van de kamer. Wij konden dat heel goed, slapen in de middag.

Er was tijd herinner ik mij; meer tijd dan ooit daarna, ik kon dagenlang lezen. Misschien was ik minder onverschrokken, misschien aarzelde ik: door de redactie van een blad werd ik gevraagd foto’s te maken, maar ik deed dat niet. Ik wilde mijn scriptie op tijd inleveren. Ik aarzelde. Het was hoe dan ook toen al nodig langdurig uit het raam te staren naar de roeiers die in de Amstel voorbij kwamen.

Zij lachen en schenken nog eens bij, waarschijnlijk hechten ze weinig waarde aan mijn woorden, en dat geeft niet. De energie, de sprankeling in hun ogen – het is prachtig om te zien. Ze zijn zelf ook prachtig om te zien: in hun zomerjurkjes, de lippen rood geverfd, het haar nog donker in de eigen kleur. Zo fris en nog niet aangeraakt, niet werkelijk, door het leven.

Na afloop loop ik naar de metro, een hele lange roltrap verdwijnt onder de grond. En de volgende ochtend is mijn hoofd zwaar van de wijn en vraag ik me af of zij, de jonge vrouwen die ik achterliet, of zij daar ook last van hebben. Huid raakt gerimpeld, handen worden oud en we hebben een bril nodig om te lezen. Intussen heeft het leven zich veelkantig aan ons voorgedaan, en zijn we zelf zo gelaagd als een taart waarbij zoet en zuur elkaar afwisselen.

Eekhoorn

Hij zit in de den tegenover, nog geen drie meter bij ons vandaan. Met een lijfje zo klein als het jong van een kat beweegt hij snel en behendig van tak naar tak. De staart die doet het hem, die maakt dat we blijven kijken: hoe hij haast vliegend door de lucht gaat met de vuurrode sliert achter zich aan. Minutenlang staan we in de woordloze stilte; onze slaap-warme ochtendlichamen heel dichtbij elkaar.

De avond ervoor zaten we op het bankje in de avondzon. We deelden een portie friet met kibbeling, en een klein flesje wijn. We genoten zoals wij dat kunnen; de vingers vet, onze monden zout. En we spraken over onze omgang met de aarde; dat we daar zo moedeloos van worden.
We zouden de aarde moeten verzorgen als ons eigen lichaam, maar we verwaarlozen haar. We zouden haar moeten koesteren, maar dreigen haar te vermorzelen in de zucht naar steeds meer. Tevreden zijn met het normale, dat kunnen we haast niet meer. Zien wat dichtbij is: een roos die uitkomt bij de voordeur. Doen wat gedaan moet worden: zelf je groenten snijden, niet voorverpakt uit een zakje, daar de tijd voor nemen. Zélf fietsen, zonder trapondersteuning. En vooral: voeling houden met de mensen om je heen, relaties weer betekenis geven. Het is allemaal normaal, het is vaker gezegd en lijkt zo eenvoudig, maar we weten het niet meer. We zijn de weg kwijt en de onverdraagzaamheid neemt toe.

We sliepen samen in de caravan, met gekleurde doeken bij wijze van gordijn. En ik sliep zoals ik thuis nooit slaap, heel lang en diep, toen ik wakker werd was de ochtend al begonnen. Dan doen we samen yoga, met blote voeten in het gras, en lijven die nog stram zijn van de nacht. En we drinken koffie en eten brood met veel jam. De eekhoorn kijkt toe. We zeggen nu niets meer, want alles is gezegd; een dierbare vriendschap is opnieuw bezegeld. Wanneer ik vertrek, op mijn geel-blauwe fiets naar het station fiets door het groen, draag ik ons samen met mij mee.

Thuis moet ik mijn gedachten nog even volgen. Op mijn schrijftafel staat een foto van mijzelf in de kleuterklas. Het lachende kind dat ik was, met een rond gezicht en een krachtig postuur, helpt mij eraan te herinneren de wereld opgewekt tegemoet te blijven treden.

Later hoor ik op de radio een lang interview met een vrouw*. Zij is mensenrechtenadvocaat, en zij is getrouwd met een schrijver die net als ik dol is op de puntkomma. Zij heeft geprocedeerd tegen Shell, ze heeft het opgenomen voor de mensen in Nigeria. Het heeft heel lang geduurd, wel dertien jaar. Maar soms lukken dingen, je moet vasthoudend zijn, blijven geloven in het goede en niet opgeven. Toen de zaak werd gewonnen was dit wereldnieuws, het was een doorbraak. Dat ze er niet altíjd meer mee weg zullen komen – dat is nu een feit. Het is een begin van iets.

* Channa Samkalden, in: Panorama Zondag (radio 4)

Als een meisje van Egon Schiele – een portret

Je had – net als ik – een hekel aan je haar, dat weerbarstig is en nooit krult zoals je wilt. Toen je achttien was knipte je het af, en sindsdien draag je het heel kort. De herenkapper in het dorp houdt het voor je bij. Later knoopte je felgekleurde doeken om je hoofd, en daar ben je nooit meer mee opgehouden. Geregeld word je aangesproken door vreemden, ook nu nog, die vragen of ze je mogen fotograferen. Ik stel me voor dat het zo begonnen is in Zandvoort. Met de lange jongen op zijn brommer, een slungelig type met een lach in zijn ogen. Hij was daar op vakantie met een vriend, en maakte dat jij je geboorteland verliet om elders te gaan wonen. In een wit huis in een klein dorp, aan het einde van de straat aan de rand van een veld.

In een oude bus door het overbekende landschap rijden. De glooiende heuvels, en met madeliefjes bespikkelde lente-groene weides, waar de nieuw aangelegde weg doorheen kronkelt. Eerder was het een andere weg, maar het landschap is onveranderd gebleven. De knoestige fruitbomen, kort en gedrongen als een oude man. De appels die ze dragen zijn zó zuur – die kun je niet eten, daarvan wordt cider gemaakt.
We rijden naar je toe, want jij woont daar in het witte huis. Je lichaam is ouder, je huid dun, maar je geest is onverminderd krachtig. In je oren hangt een sieraad dat bijna op je schouder rust; je kocht het lang geleden, toen je terug was in Amsterdam. De hanger is een kompas dat bedoeïenen gebruikten, een punt gevat in zilver; een groene steen die naar beneden wijst. En er hangen petticoats in je klerenkast, wel drie verschillende. Wanneer je die draagt zie je eruit als een meisje op een schilderij van Egon Schiele.
Buiten in de zon eten we taart van wit servies met zilver bestek. Grote stukken kuchen die we meenamen van een goede bakker; met rabarber en maanzaad, dat zo lekker knispert tussen je tanden. Koffiedrinken en te veel eten; het is een beetje feest, want wanneer zien we elkaar nog?

Het huis is als een museum, met vrijwel lege kamers. Je hebt je spullen weggedaan – de herinneringen bewaar je in je hart. Eén stoel staat er nog en een tafel, met een schaaltje uit Japan; het is gemaakt van klei uit de rivier. In een van de kamers, waar vroeger de kinderen sliepen, ligt een kleine stapel boeken op een tafel. Dat is wat er is overgebleven van jouw uitgebreide verzameling. Want jij schrijft je eigen verhaal; jij bent het belangrijkste boek in jouw bibliotheek.

En wanneer ik weer thuis ben, komt een oudere dame in de boekwinkel waar ik werk. Het haar helemaal wit, een grote rode bril op haar neus. Over stijl – zo heet het boek dat zij zoekt. Een boek met foto’s van goed geklede mannen en vrouwen, ze werden spontaan op straat geportretteerd. Dan stel ik me voor dat jij er ook in staat, je zat op de rand van de fontein, een fotograaf sprak je aan. Terwijl ik het roze pakpapier om het boek vouw ben ik nog even daar; ik zie jouw silhouet voor het raam in de lege witte ruimte.

De taal van de dingen in huis – vrij naar Lydia Davis

Voor N.

Tot haar verrukking komt na tien dagen de snijbiet op. Minuscule blaadjes hebben zich door de aarde naar boven gewerkt; ze richten zich nu naar het licht, op hun fragiele stelen. De nachten zijn koud, soms zelfs nog met nachtvorst, maar overdag wordt het steeds aangenamer, en de achterdeur blijft open. Dat je dat gewoon kunt doen, snijbiet planten, en dat het dan ook daadwerkelijk opkomt.

De taal van de dingen in huis – dat is de titel van een boek dat zij naast haar bed heeft. Het is van een Amerikaanse schrijver, zij wordt geroemd om haar korte verhaal, dat soms zó kort is dat het maar één alinea beslaat. Daar heeft de schrijfster dan wel – zo las zij in de essays – maanden op gezeten, soms nog langer. Het gaat niet vanzelf, het gaat nooit vanzelf, al lijkt dat soms zo. De verhalen in deze bundel vielen wat tegen, zij las andere die ze beter vond, maar de titel is zo mooi, daarom ligt het er nog.

Dat zijzélf zoveel over het gezinsleven schrijft – dat was iemand opgevallen, die vond daar iets van. Zij is toch ook boekverkoper, en ze is zelfs gevraagd voor een literaire jury, om boeken te beoordelen. Waarom het daarover nooit gaat.
Het verbaast haar, deze observatie, die van een dierbare meelezer komt. Jij kiest het onderwerp niet, het onderwerp kiest jou – dat is al eerder gebleken. Het gaat om de ontvankelijkheid. En dan valt er iets in, er haakt iets aan; een kleine kiem, het begin van alles.

En in dit leven, dat zo dichtbij is, schuilt het grote dat ze zichtbaar wil maken. Dat probeert ze steeds weer. Dat ze boeken verkoopt en een prijs uitreikt, is niet waar het om gaat. Het zijn de mensen en de dingen in huis – want wie vertelt hun verhaal als zij dat niet doet?

Een zwarte bakpan, die heel mooi is, en die ze van haar ouders kreeg. Het was een jaar geleden, een cadeau voor haar trouwdag. Ze wist waar ze hem moest kopen, een specifieke winkel in Amsterdam, daar werken kundige mensen, en ze hebben er heel veel. Hoe vaak ze hem zou gebruiken en waarvoor? Verschillende soorten liet hij zien; verschillende maten en prijzen. Hij sprak enthousiast en dat werd zij ook. Ze koos een eenvoudig model van gietijzer. Een goede keus, die bakt steeds beter. Dan heb je nooit meer iets van teflon nodig, en dat wil je ook niet meer, want dat is giftig en vergaat haast niet.
Zij ziet zichzelf teruglopen, verguld van de nieuwe aankoop, die zwaar rust in de tas op haar rug. En de jongen in de winkel had gelijk, ze moesten er aan wennen thuis, dat-ie zo zwaar is, en zo heet wordt, ook de steel. Maar dat is juist zo fijn, want hij bakt fantastisch, heel gelijkmatig en alles lukt.

Wanneer ze in de vroege ochtend de deur in de keuken opent, wanneer ze de bak met kleine plantjes ziet staan – dan trekt er een glimlach over haar gezicht. Zo gemakkelijk kan het soms zijn, dit groeien gaat vanzelf.

Een vrouw in stukken

Een broek die roodkleurt tijdens een evenement, je dacht dat iedereen het zag en schaamde je dood. Terwijl: daarvoor wil je je juist niet meer schamen, dat hoort er gewoon bij. Een samengesteld bosje bloemen; ze worden ingevlogen uit verre oorden, en niemand weet meer wanneer ze werkelijk bloeien, je krijgt ze steeds weer en kotst ervan. En de stofzuiger staat opnieuw werkloos midden in de kamer, maar nu met een andere reden. Het leven! Een vrouw! De grilligheid!
Je wilt lezen, schrijven, en vindt er de tijd niet voor. Alleen de korte momenten die overschieten tussen de afwas en touwtjespringen. Draaien met twee kleuren, een groen en een paars touw van plastic, zwaaien met twee armen als een yoga oefening. De monomane concentratie, het doorwerken, dat bestaat nu gewoon niet. De focus wordt sowieso steeds minder, de aandacht raakt versnipperd. Straks is ze helemaal verdwenen, en kunnen we alleen nog maar swipen. Dan valt alles in stukken.
Je gaat de keuken in en trekt een schild tussen jou en de wereld. De reuk is nog steeds niet zoals die moet zijn. Geurhallucinaties – een vieze lucht die voortdurend in je neus zit, zonder dat je de bron ervan kunt traceren. Uit arren moede rook je in de deuropening een halve sigaar. De rook dwarrelt naar binnen, het waait heel hard. Zo gaat het steeds, zo gaat het altijd, en meestal is het goed, je geniet daar ook van, het is niet dat je dat niet ziet, maar soms neemt iets anders het over, dan is er geen verweer.

Na twee uur slapen word je wakker. Je drukt een pijnstiller uit de strip, zo’n roze gladde die gemakkelijk naar binnen glijdt. Boven het bureautje hangt een ingelijste foto van een vrouw; een uitgescheurde reclame voor een toneelstuk. Je vond het beeld zo mooi; van de oudere vrouw in een rommelige kamer, zij zit achter een piano maar daarvan afgewend, haar blik in de verte. Pieces of a woman – zo luidt de titel van het internationaal bekroond stuk. Je hebt het niet gezien, zult het niet zien, maar het beeld hangt in de slaapkamer boven je bureautje. Stukken van een vrouw.
In het donker hebben de gedachten ruimte alle kanten uit te gaan. Je wilt ze vasthouden en tot morgen bewaren, ze dan tot een eenheid smeden. Maar voor je het licht weer aangeknipt hebt om ze op te schrijven, in het kleine boekje dat om die reden naast het bed ligt, ben je weer in slaap gegleden. En wanneer de eerste vogel zingt, met een lied dat uit twee tonen bestaat, zijn de zinnen inderdaad verdwenen, en heb je spijt dat je het lampje in de nacht niet hebt aangedaan.

De volgende dag was een kind ziek. In de nacht leek het heel erg, haar voorhoofd gloeiend in het donker van haar kamer. Je dacht, dit wordt niks, die kan morgen niet naar school. De dag erna viel het mee, maar toch bleef ze thuis. Een kopje thee, een lekker brood dat je speciaal gekocht had bij de goeie bakker; een zacht geel brood met abrikozen erin. Jullie sneden er plakken van, dikbesmeerd met boter.

Later drink je koffie voor je naar huis gaat. Om het tussengebied tussen hier en daar, tussen functioneel in het ene of andere opzicht, nog even op te rekken. Dan kun je eindelijk de gedachten laten dwalen. De verbeelding schuilt in de beelden die je opmerkt, neerschrijft en bij elkaar probeert te brengen. Het beeld van een schrijver in het wit met een klein hondje; de plastic zakjes die als vrolijke groene strikken aan de lijn geknoopt zijn. Een andere schrijver met een lachend gezicht en warrig haar dat nonchalant-artistiek rechtop stond. En de oranje vrachtwagen, glimmend gepoetst, zoals een speelgoedautootje maar dan heel groot. Een slang werd aangekoppeld, met een hendel en een klik, die zo fijn klinkt. De putdeksel ging open en de slang hing erin. Wat er gebeurde was onduidelijk, maar het was functioneel en iemand moest het doen.

Je staart uit het raam, fietsers die voorbij komen, een stoplicht springt op rood, op groen en dan weer op rood.

Het zijn nog steeds losse stukken, je krijgt ze niet bij elkaar, maar hoe erg is dat eigenlijk. Het leven, een vrouw. Een vrouw in stukken.

Zij verzamelt zinnen waar ze gaat

extra editie bij een jaar Een leven in scènes, voor de trouwe fans en lezers van het eerste uur

Na zeven jaar verscheen een nieuwe editie van het woordenboek. Dit was een heuglijk feit, er was naar uitgezien, het werd een item in het achtuurjournaal. Het zijn ook nu weer drie dikke delen, gebonden boeken in een gekleurde band. De belettering is anders: gemoderniseerd, je zou haast zeggen hip. Het hele pakket ziet er indrukwekkend uit, je krijgt zin om het aan te schaffen, er zomaar wat in te bladeren.
De hoofdredacteur van de omvangrijke cassette – met een naam die in niets aan taal doet denken, eerder aan eten, al is alles natuurlijk taal – sprak erover voor de radio. Hij hield een gloedvol betoog: waarom een papieren lexicon te verkiezen zou zijn boven de online variant. Omdat je dan op verrassingen stuit, toevallige woorden tegenkomt waar je niet naar zocht maar die je nu wel vindt.

Hoe het werkt in je hoofd, hoe letters woorden zinnen maken. Zinnen die betekenis hebben, en een coherent geheel blijken te vormen. En dat je daarmee een verhaal schrijft. Hoe het ontstaat, hoe het schijnbaar toevallige samenhang krijgt. Het is een raadsel dat steeds weer verbaast.
En dat je met taal dingen kunt doen, werkelijk een daad stellen. Daarover leerde je al tijdens je studie, er was een heel vak dat daarover ging. Maar het lijkt wel alsof je het nu pas ten volle snapt: wat jij doet ís iets. Een jaar lang in alle vroegte je potlood slijpen. De boom voor het huis bloeit weer, witte sneeuw op witte bloesem, wanneer je opkijkt kleur de lucht voorzichtig donkerblauw in plaats van zwart.

Een compliment van de professionele lezer; hij kruiste je pad, nog niet zo lang geleden. Het maakt dat je op deze doordeweekse maandagochtend de stofzuiger links laat liggen; het ding staat midden in de kamer maar je wendt je af. Je richt je blik op het zwart-gele schrift dat voor je ligt, om te doen wat je wilt doen. De zelfgecreëerde methode, van met de hand, met potlood, gewoon beginnen, altijd weer – en zo wat vanbinnen sluimert tevoorschijn te halen.
En als je daarna opstaat van je plek aan tafel, is er iets veranderd. Dan neem je de dagelijkse riedel weer ter hand, maar dát gaat nog door, het gaat altijd door. De losse briefjes in huis vullen zich weer met half afgeschreven zinnen, ze worden neergeschreven inderhaast, terwijl je een was ophangt, iets hoort op de radio; een kind zegt iets. Een gedachte is soms net als een droom, die voor je hem kunt navertellen al vervliegt.
En intussen denk je aan de vrouwen die je zijn voorgegaan, die ook hoekjes zochten aan de randen van de dag; dat zijn er veel. Je denkt aan Sylvia Plath; zij schreef haar beste werk om 4 uur in de ochtend, haar twee heel jonge kinderen lagen in diepe rust. Je denkt aan Madeline Albright die aan haar proefschrift werkte in de nacht, om daarna weer brood te smeren voor de anderen.

En soms is er de gedachte: kon je maar, deed je maar. Met drank op iemand aanklampen, meegaan naar een vreemd huis en zien waar dat eindigt. Jezelf loszingen van dat wat je hier houdt. Maar je weet ook: wanneer jíj het spoor bijster raakt, dan loopt het in de soep, dan raakt iedereen uit de pas. En je doet dat niet, je zult het niet doen. Het stramien is nodig, het houdt je op de rit, en zorgt ervoor dat je dit kunt doen: dingen maken die er voor die tijd niet waren. Je zocht er niet naar, maar vindt ze wel.

Hij heeft zijn stem gevonden

Ook in haast op losse briefjes geschreven zinnen zijn zinnen. Je verzamelt moed om ze überhaupt neer te schrijven. Want eerst staar je dromerig uit het raam als een klein kind. En vervolgens poets je het dakterras in de eerste zon. Veegt de ingedroogde uitwerpselen op van de katten uit de buurt, gaat het mos met een borstel te lijf; dat heeft een groen waas gevormd op de houten vlonder. En je wilt oprecht graag de gordijnen wassen; het grijs van de winter laten verdwijnen met het vuile water. Wanneer ze schoon hangen valt het licht er zo mooi door.

Het ging over stemmen, je wilde iets zeggen over de stemmen die klinken. Je dacht aan de jonge vrouw, die je ontmoette in het voorbijgaan. Ook zij wilde schrijven, ze had al vellen vol gepend, het ging ergens heen. Maar toen sloeg de geboorte van haar kind een krater in dit alles. De tijd, waar was die gebleven? Hoe vinden wij nadien onze eigen stem weer terug?
En jij vond een map terug, een zwarte 4-rings multomap met teksten erin. Je was verheugd, je had gedacht dat ze waren kwijtgeraakt; de computers waarop je ze schreef bestaan al lang niet meer. De oudste dochter die altijd graag meeleest merkte op: ik herken jou erin, je schreef toen net als nu. Die stem – die had je blijkbaar al.

De schrijfjuf heeft gezegd: iedereen heeft een verhaal, het gaat erom hoe je het vertelt. Het verhaal dat jíj wilt vertellen, dat is poëzie van het dagelijks leven, want verzinnen kun je het niet. Nu gaat het over de reis die je maakte, naar een vreemde stad; het was een uur met de trein, en nog een stuk met een tram. Je ging door het donker, een vriendin aan de arm, met een heldere hemel en een halve maan in de nacht.
En daar stond het koor in een boog te wachten, in een grote ronde nis met bijbelse taferelen, die zijn gemaakt van heel kleine steentjes. Als een kleurrijke omhulling van de in het zwart geklede mannen en vrouwen. Er waren werken gekozen om een oude oorlog te herdenken; nu hebben de koorleden geel-blauw vaantjes op de borst gespeld.
De kleine dirigent beweegt alsof hij danst. Vanaf de eerste bank is zichtbaar dat hij heel hard werkt. En hier in deze kerk, die gevuld is met heel veel mensen, klinkt eindelijk het lied dat je thuis al heel vaak hoorde. Je bent trots en het raakt je, hem hier te zien staan. Hij zingt vol vertrouwen en alles gaat goed.

Waar jij een dag nodig hebt om één zin neer te schrijven die blijft, bikt hij in het overvolle programma de hoekjes uit om ze te vullen met zijn stem. Waar jij in de vroege ochtend zoekt, heeft hij zijn stem al lang gevonden.

Geel – en bij thuiskomst blauw

En toen was je plots in een gele fase beland; wellicht had het met de situatie in de wereld te maken. Het begon ermee dat je een knalgele trui kocht van heel zachte wol. Waar je dacht dat geel je niet stond, bleek het prachtig te kleuren bij je donkere haar; je droeg hem de hele week.

De kerk in het dorp heeft een geel geschilderde spits. Je komt er niet achter wat de reden is van dit anachronistische verschijnsel. Het is een middeleeuwse kerk met een heel smalle trap van kleine vierkante stenen die met scherpe bochten naar boven wentelt. Je moet eerst naar boven roepen, tegenliggers kunnen elkaar niet passeren in de bochten. Vanaf de top – het waait er flink, de wind is heel koud – kun je het eiland in de verte zien liggen. Na een stuk vlak land en een dijk, met erachter de zee, ligt ver weg een strook duinlandschap. Eenmaal boven zie je van dichtbij hoe geel het topje van de toren werkelijk is.

Vlak voor vertrek naar het kleine dorp in het noorden, kocht je een geel opschrijfboekje van een chique merk. Je draagt het voortdurend bij je, krabbelt flarden en zinnen waar je gaat. Er was een schrijver, een échte schrijver; zij had een boek uitgebracht, het omslag was okergeel. Je las het bij verschijnen en vond het heel mooi. In rake zinnen schetste zij een leven dat boeit.
De schrijfster lacht veel, en beweegt snel en zelfverzekerd door de ruimte. Zij is klein van stuk en frèle, de lippen rood geverfd, met donker haar dat in een korte coupe om haar gezicht valt; ze doet je denken aan Juliette Binoche in Te Unbearable Lightness of Being. Je vertelt haar hoe goed je haar werk vond, dat je erover schreef, ze moet er ervan blozen, ze schrijft een opdracht in jouw exemplaar.

Later de vraag van een jonge vrouw, buiten aan een gele tafel. In de laatste zon van de dag drink je een glas bier en rookt een sigaar, zij rookt een sigaret. De vraag of je, als je moeder wordt, niet verdwijnt als méns. Ze stelt haar vraag met de nadrukkelijkheid, de urgentie, die je alleen op deze leeftijd, zij is halverwege de twintig, aan de dag kunt leggen. Je moet erom lachen. Ja, dat gebeurt, in het begin, en daarna komen er zoveel lagen bij, dan word je weer jezelf, maar dan een andere zelf.

Het hele weekend schijnt de zon met een helderheid die we gemist hebben de afgelopen maanden. We vergeten wat er verder gaande is en wenden ons gezicht naar het licht, sluiten onze ogen en voelen de warmte op onze wangen. Het landschap schittert surrealistisch als een schilderij, waarop de winterse kleuren je tegemoet knallen. Een strakblauwe lucht boven bleekgele stoppels, de rietpluimen wuivend in de wind. En het land is vlak, zó vlak; de lege weidsheid beneemt je de adem.

En bij thuiskomst, na een lange treinreis, denderen alle verschrikkingen van de wereld weer over je heen. Het weekend lijkt een droom, net zo ver weg als het kleine dorp met de gele torenspits aan de uiterste rand van ons land. Je brengt drie tassen met warme kinderkleren en tandpasta naar een lokaal inzamelpunt, je maakt geld over naar de hulporganisaties en zaait zonnebloemen. Wat kun je verder nog. En je leest het enige boek dat je nu kunt lezen, dat met het knalblauwe omslag, dat verhaalt over het land en het conflict, en dat voor een bepaald soort verbinding zorgt met de mensen aldaar waarvoor je hart bloedt.