
Halverwege de middag was er een fles tevoorschijn gekomen, de ronde kommetjes hadden als borrelglaasjes gediend. De sterke drank in een keer achterover slaan. Schnaps drinken uit de kleine porseleinen bekertjes. Een laatste groet. De vrolijkheid van samen drinken, op haar proosten, de glans die zij de dingen gaf en dat ze niet verdwenen was niet echt. Ze was nog in de bloemen op het veld, in de hemel erboven en in de zon die zo gemeen fel scheen de hele dag en alle dagen – zij was het allemaal.
Het was steeds stiller en leger geworden de laatste jaren, toen ze alleen was gebleven in het grote huis. En of ze eenzaam was – ze had dat niet gedeeld, zoals ze veel niet had gedeeld, ze had zich langzaam teruggetrokken en keek uren uit het raam. Alleen te zitten in de hoge witte kamer die kaal was, zodat de binnenruimte het skelet steeds beter zichtbaar was geworden. De hoeken en de strakke lijnen – ze hield daarvan. En de spullen, het leidde af van waar het voor haar over ging, het meeste had ze weggedaan er stond alleen een tafel en een stoel. Ze keek naar buiten naar de lucht die blauw was of bewolkt of grijs en alles wat daartussen zat, liet zich verrassen door het licht dat telkens anders was, de bomen aan de overkant het Zwarte Woud.
De kale muren kale vloer de akoestiek de galm, als zij belde toen ze nog belde – je hoorde het direct. Zij liet zich kennen door haar huis dat in zeker zin een kunstwerk was. Een porseleinen kommetje op de vensterbank in de keuken waar het licht zo mooi op viel. Het was een cadeau van een oude vriend geweest die haar wilde bedanken. Alles had zijn plek. Wat ze neerzette – het was weinig en daar dacht ze over na.
En toen werd het witte huis nog een keer gevuld. De stemmen en de levendigheid, de verhalen die we over haar vertelden, we hebben allemaal ons eigen verhaal. En ook al was het vreemd juist op die dag de vrolijkheid, er was behoefte aan na al die tijd, een bepaalde vorm van opluchting was er ook, en het verdriet – het werd nog even uitgesteld. Alle mensen, heel veel mensen van veraf of dichtbij, de kinderen en kinderen van kinderen, de zus en zwager, neven nichten, kinderen van neven en nichten, buren, mensen van vroeger, vrienden van de kinderen van vroeger. En deze mensen die elkaar nog een keer troffen voor het laatst op deze plek, haar huis – ze wisten dat het verdriet later komen zou.
Thuis staar je naar buiten en probeert erbij te blijven, dan kijk je naar je hand die met een potlood op papier naar woorden zoekt. Dit alles. Er iets van te vatten wat er is gebeurd en wat de middelpuntvliedende kracht is van dit verhaal.
Het gaat erover dat alle stemmen klonken en versmolten op één moment een brandpunt in de tijd.
We waren blij dat wij daar samen, een gezamenlijk verhaal dat daar ontstond omdat we wisten – het was zo ontzettend fijn om met elkaar aan haar te denken. Te eten en te drinken, dat begon al vroeg dat moest gewoon dat hoorde er nu eenmaal bij een grote teil gekoelde drank stond in de keuken. Er waren zelfgebakken taarten, Kaffee und Kuchen zoals dat op een bruiloft gaat, en er was brood en kaas en worst, we waren hongerig want de emoties hè, er werd gegeten en gedronken. De bierflesjes tegen elkaar al rond het middaguur, er werd gelachen er was vrolijkheid het werd haast liederlijk omdat we wisten – een hete zomerdag, het witte huis, het kleine dorp, we wisten dat het voor het laatst zou zijn.
En naderhand de hand die het probeert te schrijven, een potlood en een puntenslijper in een stenen bakje; een kommetje van verweerd porselein met een blauw motief een lijnenspel dat vaag geworden is.
Je kent de ander niet, niet werkelijk. Alleen door wat je doet wat zichtbaar is naar buiten, een leven trekt voorbij, en wat zich onderwijl vanbinnen afspeelt – het is een raadsel. Je kent de ander niet. Het begint – in dit verhaal begint het met het huis en hoe de stemmen klonken. Hoe ze woonde, wat ze wilde laten zien – haar huis, het eindigt met het witte lege huis.

