De papieren wereld waar ze zo van houdt

[aantekeningen uit het zwarte boekje]
Het houdt op wanneer het gillen begint. Als de verneveling is aangezet, een dunne sluier van water om onderdoor te lopen. Als het springkussen wordt opgeblazen, het afzichtelijk lelijke ding dat nu nog op de grond ligt als een slappe ballon aan de rand van het terras. Als de muziek aangaat en de kinderen komen. Het maakt ze niet uit dat het heet en stoffig is, ze komen zodra het ding in fletse kleuren beige en lichtbruin zijn vorm heeft aangenomen en zich triomfantelijk heeft opgericht. De glijbaanachtige constructie achter de twee hoge torens aan de voorkant – ze gaan er joelend van plezier naar binnen en zullen tekeergaan zoals elke ochtend om deze tijd.
Voor haar houdt het op als het gillen in het springkasteel begint en dat geeft niet. Want zij weet intussen dat de papieren wereld waar ze zo van houdt – dat ze daar steeds naar terug kan keren.

Het was het jaar van de hitte en de droogte, toen het maanden achtereen niet had geregend, de bomen waren in juli al zo geel geworden dat het leek alsof de herfst begonnen was. En er waren mensen die verheugd uitriepen dat het weer zo heerlijk was en dat we boften met zo’n mooie zomer. Lieve help, als je er toch zo naar kon kijken.

De hitte en de droogte door het droge land, een playlist zoals elk jaar die door de raampjes schalde, het landschap dat steeds geler werd. Ze dacht aan de verschroeide aarde, de titel van een boek uit haar kindertijd. De snelweg eindigde het werd provinciaal en ging in bochten voort, goudkleurige rollen brandend in de zon. Een dorp en nog een dorp. Een pittoreske torenspits maar wanneer je er doorheen reed viel het tegen. Verlaten of vervallen huizen, geen bakker meer of een café wie woont hier nog. Uiteindelijk een bord een naam een kronkelweg die naar een stoffige parkeerplaats leidde. Het uitzicht was fantastisch. Glooiend waar je ook maar keek, bomen in de verte, roodbruine koeien zelfs een stier bij het hek. En ze hadden een plek aan het water gereserveerd, de meisjes hielden daarvan, het zou heerlijk zijn. Het was stil alleen de krekels ze zuchtte diep.
De man achter de receptie – een klein hokje in een laag gebouw dat ook dienstdeed als bar, er stonden tafels, er was een kast met spelletjes en een minibieb – de man oogde vermoeid. Plaats zes. Hij wees het aan. Een grote plattegrond die op de houten wand van schrootjes was geprikt. Plaats zes, dat klopt is aan het water maar er is geen water of althans het staat heel laag en er zit blauwalg in je kunt daar niet in zwemmen.
De plaats die zorgvuldig uitgekozen was, maar dat was thuis en toen in februari, toen ze nog niet wisten wat de zomer brengen zou. Er was geen schaduw en de grond was droog er vielen barsten in, het gras ging richting bruin er stond één boom. Alleen in de ochtend tot een uur of, tja ik weet dat niet precies mevrouw maar niet heel lang, zo rond de middag is het gedaan dan staat de tent het kampement – te branden tot het donker wordt.

De gezinsvakantie, gek dat ze het elk jaar weer vergat, de vakantie was de lakmoesproef.

Ze was niet meer aan handen en voeten gebonden zoals aan de andere kant van het pad dat naar beneden liep. Daar stond een caravan met een luifel, een veldbedje dat meedraaide met de zon om uit de zon te blijven. Een kleine blonde vrouw met tatoeages op haar arm, de arm waarmee ze het campingbedje bewoog wanneer de baby huilde. Een jongetje rende voortdurend over het geel-bruine gras met een stok Hier kom ik aan! Hier kom ik aan! En een meisje met een luier dribbelde rond de tent. De aarzelende stapjes. De plakkerige handjes. De wiegende beweging van samen lopen als alles nog heel traag zo tergend langzaam gaat.
Niet meer zó gebonden maar de gezinsvakantie – je weet niet waar je terecht komt en wat je aantreft in de hitte en de droogte. De dagen worden opgerekt, ze duren eindeloos er wordt gegild ook in de avond, de nachten zijn te kort. Toch staat ze ’s ochtends heel vroeg op om alles voor te zijn. De kalme stilte waar zij zo van houdt.
Dan vertrekt ze met haar paarse tas. Het zwarte boekje, de schrijfspullen van thuis bijeen gegrist, erin gedaan als iedereen nog slaapt. Ze volgt het pad loopt naar beneden langs de witte caravan aan de overkant. Het is een plek die ook heel weinig schaduw heeft en dan drie kinderen – mijn hemel, het gehannes in de warmte.
Ze ziet de jonge vrouw, het web van bloemen op haar arm, er staan een pot Completa en een asbak voor haar op de tafel; het plastic tafelkleed en zo’n ding dat je met een pin naar beneden drukt om de peuken onderin te laten verdwijnen, zodat het niet zo ruikt al ruik je het natuurlijk toch de illusie om te denken dat dat niet zo is. De vrouw zit met een vermoeide lege blik onder de luifel te roken.

En zij, de moeder met de paarse tas, bij haar hollen ze niet meer met een tak of dribbelen onvast rond de tent, maar het verlangen is niet minder geworden met de jaren. Om weg te gaan en uit te breken, geen anker te hoeven zijn, niet de hele tijd.

Een kamer voor jezelf – het kan er ook uit bestaan dat je op de camping in de hitte, de gedeelde ruimte en nergens een deur die sluit. De spreekwoordelijke ruimte bevindt zich op het terras achter het kleine barretje, daar staan biertafels, sommige houtkleurig andere rood, ze heeft een rode gekozen met haar rug naar de bar en uitkijkend over het veld. Het eindeloze weergaloze uitzicht, de roodbruine koeien drinken water uit de beek die tot een klein stroompje is gekrompen, ze staan onder de bomen in de schaduw en kijken lodderig uit hun ogen. Op het ruime terras als het nog koel is, het luchtkasteel een lege huls en er nog niemand anders is.
Zij zit daar om de fragmenten te kunnen schrijven die betekenis geven aan het leven dat zij leeft. Ergens vat op proberen te krijgen. Wat gaat er schuil achter de dingen en de mensen, een magische wereld die verborgen is als achter een heel dun gordijn. Je komt daar nauwelijks bij. Maar blijf er wel naar reiken! Blijf woorden zoeken voor wat daar gebeurt! De poëzie van het dagelijks leven beschrijven telkens weer!

Hoe het huis nog een keer met stemmen werd gevuld

Halverwege de middag was er een fles tevoorschijn gekomen, de ronde kommetjes hadden als borrelglaasjes gediend. De sterke drank in een keer achterover slaan. Schnaps drinken uit de kleine porseleinen bekertjes. Een laatste groet. De vrolijkheid van samen drinken, op haar proosten, de glans die zij de dingen gaf en dat ze niet verdwenen was niet echt. Ze was nog in de bloemen op het veld, in de hemel erboven en in de zon die zo gemeen fel scheen de hele dag en alle dagen – zij was het allemaal.

Het was steeds stiller en leger geworden de laatste jaren, toen ze alleen was gebleven in het grote huis. En of ze eenzaam was – ze had dat niet gedeeld, zoals ze veel niet had gedeeld, ze had zich langzaam teruggetrokken en keek uren uit het raam. Alleen te zitten in de hoge witte kamer die kaal was, zodat de binnenruimte het skelet steeds beter zichtbaar was geworden. De hoeken en de strakke lijnen – ze hield daarvan. En de spullen, het leidde af van waar het voor haar over ging, het meeste had ze weggedaan er stond alleen een tafel en een stoel. Ze keek naar buiten naar de lucht die blauw was of bewolkt of grijs en alles wat daartussen zat, liet zich verrassen door het licht dat telkens anders was, de bomen aan de overkant het Zwarte Woud.
De kale muren kale vloer de akoestiek de galm, als zij belde toen ze nog belde – je hoorde het direct. Zij liet zich kennen door haar huis dat in zeker zin een kunstwerk was. Een porseleinen kommetje op de vensterbank in de keuken waar het licht zo mooi op viel. Het was een cadeau van een oude vriend geweest die haar wilde bedanken. Alles had zijn plek. Wat ze neerzette – het was weinig en daar dacht ze over na.

En toen werd het witte huis nog een keer gevuld. De stemmen en de levendigheid, de verhalen die we over haar vertelden, we hebben allemaal ons eigen verhaal. En ook al was het vreemd juist op die dag de vrolijkheid, er was behoefte aan na al die tijd, een bepaalde vorm van opluchting was er ook, en het verdriet – het werd nog even uitgesteld. Alle mensen, heel veel mensen van veraf of dichtbij, de kinderen en kinderen van kinderen, de zus en zwager, neven nichten, kinderen van neven en nichten, buren, mensen van vroeger, vrienden van de kinderen van vroeger. En deze mensen die elkaar nog een keer troffen voor het laatst op deze plek, haar huis – ze wisten dat het verdriet later komen zou.

Thuis staar je naar buiten en probeert erbij te blijven, dan kijk je naar je hand die met een potlood op papier naar woorden zoekt. Dit alles. Er iets van te vatten wat er is gebeurd en wat de middelpuntvliedende kracht is van dit verhaal.

Het gaat erover dat alle stemmen klonken en versmolten op één moment een brandpunt in de tijd.

We waren blij dat wij daar samen, een gezamenlijk verhaal dat daar ontstond omdat we wisten – het was zo ontzettend fijn om met elkaar aan haar te denken. Te eten en te drinken, dat begon al vroeg dat moest gewoon dat hoorde er nu eenmaal bij een grote teil gekoelde drank stond in de keuken. Er waren zelfgebakken taarten, Kaffee und Kuchen zoals dat op een bruiloft gaat, en er was brood en kaas en worst, we waren hongerig want de emoties hè, er werd gegeten en gedronken. De bierflesjes tegen elkaar al rond het middaguur, er werd gelachen er was vrolijkheid het werd haast liederlijk omdat we wisten – een hete zomerdag, het witte huis, het kleine dorp, we wisten dat het voor het laatst zou zijn.

En naderhand de hand die het probeert te schrijven, een potlood en een puntenslijper in een stenen bakje; een kommetje van verweerd porselein met een blauw motief een lijnenspel dat vaag geworden is.

Je kent de ander niet, niet werkelijk. Alleen door wat je doet wat zichtbaar is naar buiten, een leven trekt voorbij, en wat zich onderwijl vanbinnen afspeelt – het is een raadsel. Je kent de ander niet. Het begint – in dit verhaal begint het met het huis en hoe de stemmen klonken. Hoe ze woonde, wat ze wilde laten zien – haar huis, het eindigt met het witte lege huis.

De verhalen en gezichten van alledag

Die kleinen Geschichten des Alltags – de woorden zijn verbleekt, het felle licht dat door het kleine raampje binnen valt, ze zijn nog moeilijk te lezen. De letters de woorden op een klein wit papiertje geschreven toen ze nog kon schrijven, een briefje dat tussen de spiegel en de muur is geschoven, het toilet naast de voordeur beneden in het huis. Ik buig naar voren en lees de woorden die zij opgeschreven heeft en zie dan dat er iets anders staat: die kleinen Gesichter des Alltags.

Ze slaapt en ik ga door de kamers en maak foto’s. Die kleinen Geschichten des Alltags – welke verhalen vertellen de spullen in dit huis. De grijze en witte kiezels bij de achterdeur die openstaat. Een pakje Yogithee op de vensterbank in de keuken, Frauen Power is de smaak. Een grote oranje zonnebril op tafel in de woonkamer. De witte tafel in de vrijwel lege witte kamer. Er liggen kaarten en brieven. Mensen komen afscheid nemen of sturen een kaart of brief er ligt een hele stapel en de oranje zonnebril – ze droeg alleen maar zwart, soms haar oranje zonnebril.

Nu ligt ze slapend onder het witte laken in haar eigen witte kamer en ik zit naast haar en kijk naar het gezicht dat ze nu heeft. De ogen – ze lijken heel groot onder de dunne huid die haast doorzichtig is, soms gaat er een oog open, het gezicht dat iets dierlijks heeft gekregen, als ze haar ogen opent dan lijkt het alsof de sluier van wat erachter ligt even wordt weggetrokken. Wat krijg je te zien als de sluier wordt weggetrokken. Een fractie van het moment als ze zich ongezien waant en haar ogen opent, de sluier even weggetrokken en daarna sluit het weer als zij mij ziet. Oh jij bent het, jij zit er.

De vrouw – ze is gekrompen, een flauwe heuvel onder het landschap van de lakens, en ik zit naast haar bed en aai haar hand de huid zo zacht en glad, alle botjes voelbaar en aan de rechter ringvinger draagt ze zijn ring nog altijd aan haar hand. Ik zit en aai en kijk en denk je bent een enigma ik ken je niet, kent zij mij wel als zij haar ene oog geopend heeft en langzaam zegt Oh jij bent het jij zit er!

De dag was begonnen met zwarte koffie om vijf uur in de ochtend op het station. Er klonken stemmen in onbekende talen. De stoep van het stationsplein was plakkerig. Er was één bankje vrij om een beker koffie te drinken die waterig was en toch heel bitter smaakte maar dat gaf niet, het was koffie het was vroeg, een bankje voor het station aan de voet van het Zwarte Woud.
Een verstild moment. De lichtoranje lucht een stil vlak van lucht waarmee de dag begon toen het nog wachten was. De eerste tram, een jongen met een groene rugzak liep gehaast voorbij, een bos rode rozen in papier verpakt in zijn hand. Het was vroeg er waren mensen onderweg er waren geluiden en toch was het stil. Het was wachten tot de dag van afscheid nemen werkelijk begon.

Het leven geleefd en voorbij gegaan, de grote gebeurtenissen en de kleine verhalen en gezichten van alledag.

Zij is er nog. Ze eet chocoladepudding die in een klein glazen schaaltje voor haar is neergezet. Ze kan haast niets meer zelf, niet lopen niet uit bed maar eten – haar hand, het gaat heel langzaam, ze beweegt haar hand heel traag maar sierlijk elegant ze was altijd – ze ís! Ze is er nog! Niet schrijven spreken in verleden tijd, ze is er nog! Ze kleedde zich altijd en tot het laatst totdat ze niet meer lopen kon, korte rokken tot boven de knie en chique panty’s aan, alles in het zwart en zilver, zilver in haar oren, grote ringen in grillige vormen het was artistiek en excentriek zoals zij zich kleedde, een vrouw met smaak en aandacht voor details.

Traag en elegant brengt ze de lepel naar haar mond, de beweging van een danseres, met kleine hapjes en aandachtig eet ze het hele schaaltje leeg. Een spoor chocola blijft achter op haar onderlip, ze merkt het niet. Een kleine bruine rand als lippenstift waarvan het meeste, een afdruk op een kopje en alleen het randje op je lip daar zit nog kleur, de kleur is bruin en niemand die er iets aan doet als ze direct daarna in slaap gevallen is. Ik schaam me en het maakt me verdrietig, ik heb geen zakdoek in mijn tas en wil haar ook niet wekken, ze was moe geworden ze ligt er vredig bij – maar het sliertje chocoladeresidu, het verder zo heel bleke gezicht van een oude vrouw die slaapt.

Het begon met zwarte koffie en eindigde ermee zoals wel vaker was gebeurd, een goede Riesling en daarna nog een fles toen was de lucht opnieuw oranje, toen we pistache-ijs aten in de tuin. En de kinderen waren naar binnengegaan, wij bleven buiten, we draaiden Duitse punk het schalde door de tuin en of de buren – het kon ons niets schelen want wij zaten daar, we hadden elkaar nodig, dit gedeelde moment van uitgesteld verdriet, we waren niet verdrietig toen en daar, we moesten te veel wijn drinken en roken en harde muziek luisteren terwijl het vuur langzaam doofde en het veranderde van oranje in zwart.

Een kort bezoek, de tante die op sterven ligt maar er nog is. Afscheid nemen duurt een eeuwigheid in deze familie. Zelfs na een kort bezoekje, een alledaagse afspraak is het niet ongebruikelijk dat er een half uur nodig is om gedag te zeggen; een telefoongesprek beëindigen kan zomaar vijf minuten duren en het afscheid van een stervende vrouw – uren, dagen, weken duurt het voort.

En ik reis terug, een reis die heel vaak is gemaakt. De zomer trekt voorbij, de gouden rollen op het gele veld, de hitte is intens de aarde is gekrompen, de bewolkte lucht erboven een dreiging van de regen die niet valt terwijl de trein voortraast en ik me afvraag wat het beginpunt is van dit verhaal. Als ik het landschap en de herinneringen langs voel trekken – het is gefragmenteerd geen coherent verhaal. Die kleinen Geschichten des Alltags – daarmee begint en eindigt het.