De verhalen en gezichten van alledag

Die kleinen Geschichten des Alltags – de woorden zijn verbleekt, het felle licht dat door het kleine raampje binnen valt, ze zijn nog moeilijk te lezen. De letters de woorden op een klein wit papiertje geschreven toen ze nog kon schrijven, een briefje dat tussen de spiegel en de muur is geschoven, het toilet naast de voordeur beneden in het huis. Ik buig naar voren en lees de woorden die zij opgeschreven heeft en zie dan dat er iets anders staat: die kleinen Gesichter des Alltags.

Ze slaapt en ik ga door de kamers en maak foto’s. Die kleinen Geschichten des Alltags – welke verhalen vertellen de spullen in dit huis. De grijze en witte kiezels bij de achterdeur die openstaat. Een pakje Yogithee op de vensterbank in de keuken, Frauen Power is de smaak. Een grote oranje zonnebril op tafel in de woonkamer. De witte tafel in de vrijwel lege witte kamer. Er liggen kaarten en brieven. Mensen komen afscheid nemen of sturen een kaart of brief er ligt een hele stapel en de oranje zonnebril – ze droeg alleen maar zwart, soms haar oranje zonnebril.

Nu ligt ze slapend onder het witte laken in haar eigen witte kamer en ik zit naast haar en kijk naar het gezicht dat ze nu heeft. De ogen – ze lijken heel groot onder de dunne huid die haast doorzichtig is, soms gaat er een oog open, het gezicht dat iets dierlijks heeft gekregen, als ze haar ogen opent dan lijkt het alsof de sluier van wat erachter ligt even wordt weggetrokken. Wat krijg je te zien als de sluier wordt weggetrokken. Een fractie van het moment als ze zich ongezien waant en haar ogen opent, de sluier even weggetrokken en daarna sluit het weer als zij mij ziet. Oh jij bent het, jij zit er.

De vrouw – ze is gekrompen, een flauwe heuvel onder het landschap van de lakens, en ik zit naast haar bed en aai haar hand de huid zo zacht en glad, alle botjes voelbaar en aan de rechter ringvinger draagt ze zijn ring nog altijd aan haar hand. Ik zit en aai en kijk en denk je bent een enigma ik ken je niet, kent zij mij wel als zij haar ene oog geopend heeft en langzaam zegt Oh jij bent het jij zit er!

De dag was begonnen met zwarte koffie om vijf uur in de ochtend op het station. Er klonken stemmen in onbekende talen. De stoep van het stationsplein was plakkerig. Er was één bankje vrij om een beker koffie te drinken die waterig was en toch heel bitter smaakte maar dat gaf niet, het was koffie het was vroeg, een bankje voor het station aan de voet van het Zwarte Woud.
Een verstild moment. De lichtoranje lucht een stil vlak van lucht waarmee de dag begon toen het nog wachten was. De eerste tram, een jongen met een groene rugzak liep gehaast voorbij, een bos rode rozen in papier verpakt in zijn hand. Het was vroeg er waren mensen onderweg er waren geluiden en toch was het stil. Het was wachten tot de dag van afscheid nemen werkelijk begon.

Het leven geleefd en voorbij gegaan, de grote gebeurtenissen en de kleine verhalen en gezichten van alledag.

Zij is er nog. Ze eet chocoladepudding die in een klein glazen schaaltje voor haar is neergezet. Ze kan haast niets meer zelf, niet lopen niet uit bed maar eten – haar hand, het gaat heel langzaam, ze beweegt haar hand heel traag maar sierlijk elegant ze was altijd – ze ís! Ze is er nog! Niet schrijven spreken in verleden tijd, ze is er nog! Ze kleedde zich altijd en tot het laatst totdat ze niet meer lopen kon, korte rokken tot boven de knie en chique panty’s aan, alles in het zwart en zilver, zilver in haar oren, grote ringen in grillige vormen het was artistiek en excentriek zoals zij zich kleedde, een vrouw met smaak en aandacht voor details.

Traag en elegant brengt ze de lepel naar haar mond, de beweging van een danseres, met kleine hapjes en aandachtig eet ze het hele schaaltje leeg. Een spoor chocola blijft achter op haar onderlip, ze merkt het niet. Een kleine bruine rand als lippenstift waarvan het meeste, een afdruk op een kopje en alleen het randje op je lip daar zit nog kleur, de kleur is bruin en niemand die er iets aan doet als ze direct daarna in slaap gevallen is. Ik schaam me en het maakt me verdrietig, ik heb geen zakdoek in mijn tas en wil haar ook niet wekken, ze was moe geworden ze ligt er vredig bij – maar het sliertje chocoladeresidu, het verder zo heel bleke gezicht van een oude vrouw die slaapt.

Het begon met zwarte koffie en eindigde ermee zoals wel vaker was gebeurd, een goede Riesling en daarna nog een fles toen was de lucht opnieuw oranje, toen aten we pistache-ijs aten in de tuin. En de kinderen waren naar binnengegaan, wij bleven buiten, we draaiden Duitse punk het schalde door de tuin en of de buren – het kon ons niets schelen want wij zaten daar, we hadden elkaar nodig, dit gedeelde moment van uitgesteld verdriet, we waren niet verdrietig toen en daar, we moesten te veel wijn drinken en roken en harde muziek luisteren terwijl het vuur langzaam doofde en het veranderde van oranje in zwart.

Een kort bezoek, de tante die op sterven ligt maar er nog is. Afscheid nemen duurt een eeuwigheid in deze familie. Zelfs na een kort bezoekje, een alledaagse afspraak is het niet ongebruikelijk dat er een half uur nodig is om gedag te zeggen; een telefoongesprek beëindigen kan zomaar vijf minuten duren en het afscheid van een stervende vrouw – uren, dagen, weken duurt het voort.

En ik reis terug, een reis die heel vaak is gemaakt. De zomer trekt voorbij, de gouden rollen op het gele veld, de hitte is intens de aarde is gekrompen, de bewolkte lucht erboven een dreiging van de regen die niet valt terwijl de trein voortraast en ik me afvraag wat het beginpunt is van dit verhaal. Als ik het landschap en de herinneringen langs voel trekken – het is gefragmenteerd geen coherent verhaal. Die kleinen Geschichten des Alltags – daarmee begint en eindigt het.

Fragment 7: de groene stroom

Een tijdje later als je aan de kleine tafel zit klinkt er een vraag. Dan denk je er weer aan en ga je in gedachten terug en of het inbeelding of echt zo was geweest. Dat het vanzelf ging wat je deed toen je daar was. Het oude huis de rivier beneden. Was het een herinnering of een droom?

Je had de groene stroom gezien en gevolgd daar ging het om.

Aan de kleine tafel zitten, de opzoekbalie achterin de winkel waar concrete vragen klinken. Niet over hoe of wat, maar over is het boek in huis of te bestellen. Een duidelijke vraag een antwoord dat bestaat uit ja of nee. Je zoekt het op of weet het uit je hoofd, loopt naar de kast, het is volstrekt eenduidig allemaal.

Voorin de winkel helpt een collega een vrouw die staat te wachten, ze verpakt een kinderboek als cadeau. Een vrouw, haar kind dat naar de pennen kijkt die op de toonbank staan. Het zijn gekleurde pennen, ze hebben diertjes aan de achterkant, een krokodil een tijger of een kat. En de grap is, daarom zijn ze zo in trek, de kinderen op school het is een rage – wat ze zo aantrekkelijk maakt, los van de diertjes en de kleurtjes, is dat je uit kunt wissen wat je geschreven hebt.

Het kind reikt naar de gekleurde pennen en de moeder vraagt zich hardop af, het was misschien niet eens een vraag waarop zij werkelijk een antwoord had verwacht, ze vraag zich af of iemand nog met vulpen schrijft. En ook al zit je verderop iets op te zoeken, je hoort de vraag en je veert op. De impuls om overeind te komen en door de winkel heen te schreeuwen JA! Dat alle woorden met een vulpen, niet het goedkope soort, de prul in de vorm van een konijn of koe maar met een echte pen een zwarte pen een gouden punt een fijne klik wanneer de dop eraf gedraaid – het schreeuwt vanbinnen JA!

De pen met groene inkt die juist onuitwisbaar is, de woorden en de zinnen die ermee geschreven worden zullen blijven. De mooie kleur die speciaal werd uitgekozen en niet vlekt of verdwijnt. Het plezier om daarmee te schrijven. Je weet niet altijd wat er komt maar het plezier – met vulpen in het groen een groene stroom als de rivier beneden in het dal. Het huis stond op een berg en de rivier de groene stroom beneden.

Je was er in de middag toen de regen was gestopt naartoe gelopen. De scherpe bochten het ging steil je zag het groene water al de stroom maar het was evengoed een eind nog naar beneden. De zon brak door. Het asfalt dampte. De damp steeg op een ragfijn gordijn. Je liep door een nevelsluier in het felle licht, voelde de fijne druppels op je gezicht, de huid die ouder wordt het grijze haar omhoog de spelden in het haar de haarspeldbochten die je volgde tot je bij het water kwam de groene stroom. Dat was natuurlijk niet het water had geen kleur het leek maar zo het groen de groene bomen aan de waterkant. De koekoeksbloemen in de berm thuis zijn ze roze en hier wit de mooie witte bloemen als je eindelijk beneden bent.

En daarna in twee uur weer omhoog gelopen. Eerst langs het water dan een pad dat langzaam kruipt verraderlijk naar boven voert. Bewegwijzering die niet altijd duidelijk is of lang op zich laat wachten, de pijlen zijn er wel maar ze zijn schaars. Dan gaat het erom te vertrouwen. Dat je hier eerder had gelopen en de weg wel wist ook als je het niet wist en zonder navigatie, twee uur lopen zonder telefoon want die staat uit ligt onderin de kast, je ziet geen mens en bent niet bang.

Je had de groene stroom gezien en gevolgd daar ging het om.

De groene stroom toen je daar was maar thuis is het weerbarstig zoals het grijze haar dat met de jaren stugger wordt, met spelden opgestoken zodat het nog wat lijkt.

De overzichtelijkheid achter de opzoekbalie, de helderheid onder de felle lampen in de winkel, maar voor de rest – weerbarstig is het woord. Je komt er nauwelijks bij. Wat er gebeurde. Geen stroom het lijkt zo hoekig allemaal alleen de ronde steen de stapel volgeschreven vellen kladpapier en wat je schreef. Je leest niets terug.

Hoe kan het doorgaan als het steeds wordt onderbroken en weer in fragmenten gaat, De brokstukken die overbleven. Hoekig en niet gladgeslepen. Je denkt is het een herinnering of een droom.

Hoe het huis je ontving en in haar armen sloot

Het oude huis met dikke muren, luiken voor de ramen en een lange gang. Een lichte houten vloer en er hangt kunst aan beide zijden aan de wand. Werken van bevriende kunstenaars, het is een gang vol kunst met stoelen langs de zijkant, allemaal verschillend en netjes op een rij, zodat je ergens zomaar ergens kunt gaan zitten, halt houden onderweg naar elders in het grote huis, gaan zitten om iets te bekijken er is heel veel te zien je kunt dat doen, als je hier bent, je hebt de tijd om dat te doen.
In de lange gang aan die kant van het huis zijn drie kamers die heel verschillend zijn, elke kamer heeft zijn een eigen specifieke sfeer. De kamer aan het einde rechts is kamer nummer drie, dat is de kamer met behang en uitzicht op de tuin. Met hoge ramen waardoor het licht naar binnen valt, de luiken zoals voor alle ramen in dit huis en in de straat het hele dorp. De luiken aan de buitenkant je kunt ze naar de zijkant klappen, ze met een metalen beugel vergrendelen, zodat ze niet klapperen in de wind het waait vaak hard. Het is een eenvoudig systeem dat al eeuwen uitstekend werkt. En het leuke is, het is een van de vele details in dit huis – de roestbruine metalen beugel die vast zit in de muur heeft de vorm van een vrouwenhoofd. De vrouw klemt hier de luiken vast zodat ze niet klapperen in de wind.

Het huis ontving je en sloot je in haar armen.

Door de kunstgang gaan als het nog donker is en iedereen nog slaapt. Een groen kaarsje in een glas om in de vroege ochtend, op het platteland met nauwelijks straatverlichting, er komt geen licht van buiten, je loopt haast op de tast, niets anders dan een groene kaars om bij te lichten. De lange gang en dan de hoek om tot een zware houten deur. Hij klemt. Er zit een hendel voor. De hendel moet omhoog geschoven worden, dat gaat niet met één hand. Het lichtje even laten rusten op de stenen vloer, eerst was het hout maar om de hoek daar zijn het tegels.

En ja: het huis is groot er zijn ontzettend veel details, het sloot je in haar armen.

De zware deur die klemt, daarna nog een gang, een gang met ramen en aan het eind de keuken waar je staat te wachten tot het water kookt. De nacht die overgaat in dag, je staat te wachten tot het water kookt. Je kijkt. Kijkt naar de overkant naar links, de linkerpoot het huis is in een U gebouwd, het laatste raam, een zwak oranje schijnt naar buiten. Je hebt de kamer net verlaten, de geur van slaap was nog aanwezig.
Je kijkt alsof je naar jezelf kunt kijken. Naar wat er in de kamer met de letters en de woorden – wat daar gebeurt een geheimzinnig procedé het is ontzettend vaag. De woorden en wat gaat erachter schuil, wat zeggen ze, en wat houden ze verborgen. Het is een hele wereld in fragmenten, waarop je vat probeert te krijgen. Je verzint een kort verhaal met personages, je geeft ze zelfs een naam die past bij hun geboortejaar, je had dat opgezocht, daar zijn lijsten van op internet. En hoe vaker je een verhaal vertelt, hoe ronder het wordt, afgesleten als een steen die in het water al zijn hoekigheid verliest. Maar het was geen kort verhaal, het was niet rond. Het was gefragmenteerd, veranderde de hele tijd, op afgescheurde pagina’s met rafelige randen, rafelige zinnen, halve woorden die met potlood werden opgeschreven. De volgeschreven vellen liggen op een stapel, de steen er bovenop, de steen een presse-papier.

Hoe zou je kunnen denken dat er een logica schuilt in de gebeurtenissen die je beschrijft, en dat dit alles helpt de chaos te bedwingen. De chaos en geheimzinnigheid in wat je ziet wanneer je kijkt.

Je probeerde er een foto van te maken. Wat je zag vanuit de keuken wachtend tot het water kookte. Je zag de hoek van het immense huis, de oude muur die zo ontzettend dik, de luiken – oh die luiken – ze waren half geopend, je had ze net geopend toen je wakker werd en één lamp aangedaan. En je zag het alsof je naar jezelf kon kijken. Het grootste diafragma en een lange sluitertijd – maar het bleef vaag, een zwarte vlek een onherkenbaar beeld. De ochtendschemering en nog te donker, het was niet vast te leggen vast te houden wat daar in die kamer, wat er werkelijk gebeurde aan de rand van deze dag en alle dagen het bleef vaag, onzichtbaar slechts een schim, een veeg, een vlek.

Het huis dat je ontving en in haar armen sloot – je ziet het huis.

De dingen die er zijn. Als je in je eentje bent dan kun je beter kijken, je kijkt de hele tijd, naar wat iets maakt tot wat het is zo specifiek. Het huis ontving je maar gaf niet alles prijs, en wat hield ze verborgen in de hoeken en de hoekjes, de gangen en de kamers in de tussenruimte. Het was te groot. De woorden – ze zijn ontoereikend voor het raadsel dat zich in de hoeken in een schaarsverlichte kamer aan de overkant bevindt.