Als een meisje van Egon Schiele – een portret

Je had – net als ik – een hekel aan je haar, dat weerbarstig is en nooit krult zoals je wilt. Toen je achttien was knipte je het af, en sindsdien draag je het heel kort. De herenkapper in het dorp houdt het voor je bij. Later knoopte je felgekleurde doeken om je hoofd, en daar ben je nooit meer mee opgehouden. Geregeld word je aangesproken door vreemden, ook nu nog, die vragen of ze je mogen fotograferen. Ik stel me voor dat het zo begonnen is in Zandvoort. Met de lange jongen op zijn brommer, een slungelig type met een lach in zijn ogen. Hij was daar op vakantie met een vriend, en maakte dat jij je geboorteland verliet om elders te gaan wonen. In een wit huis in een klein dorp, aan het einde van de straat aan de rand van een veld.

In een oude bus door het overbekende landschap rijden. De glooiende heuvels, en met madeliefjes bespikkelde lente-groene weides, waar de nieuw aangelegde weg doorheen kronkelt. Eerder was het een andere weg, maar het landschap is onveranderd gebleven. De knoestige fruitbomen, kort en gedrongen als een oude man. De appels die ze dragen zijn zó zuur – die kun je niet eten, daarvan wordt cider gemaakt.
We rijden naar je toe, want jij woont daar in het witte huis. Je lichaam is ouder, je huid dun, maar je geest is onverminderd krachtig. In je oren hangt een sieraad dat bijna op je schouder rust; je kocht het lang geleden, toen je terug was in Amsterdam. De hanger is een kompas dat bedoeïenen gebruikten, een punt gevat in zilver; een groene steen die naar beneden wijst. En er hangen petticoats in je klerenkast, wel drie verschillende. Wanneer je die draagt zie je eruit als een meisje op een schilderij van Egon Schiele.
Buiten in de zon eten we taart van wit servies met zilver bestek. Grote stukken kuchen die we meenamen van een goede bakker; met rabarber en maanzaad, dat zo lekker knispert tussen je tanden. Koffiedrinken en te veel eten; het is een beetje feest, want wanneer zien we elkaar nog?

Het huis is als een museum, met vrijwel lege kamers. Je hebt je spullen weggedaan – de herinneringen bewaar je in je hart. Eén stoel staat er nog en een tafel, met een schaaltje uit Japan; het is gemaakt van klei uit de rivier. In een van de kamers, waar vroeger de kinderen sliepen, ligt een kleine stapel boeken op een tafel. Dat is wat er is overgebleven van jouw uitgebreide verzameling. Want jij schrijft je eigen verhaal; jij bent het belangrijkste boek in jouw bibliotheek.

En wanneer ik weer thuis ben, komt een oudere dame in de boekwinkel waar ik werk. Het haar helemaal wit, een grote rode bril op haar neus. Over stijl – zo heet het boek dat zij zoekt. Een boek met foto’s van goed geklede mannen en vrouwen, ze werden spontaan op straat geportretteerd. Dan stel ik me voor dat jij er ook in staat, je zat op de rand van de fontein, een fotograaf sprak je aan. Terwijl ik het roze pakpapier om het boek vouw ben ik nog even daar; ik zie jouw silhouet voor het raam in de lege witte ruimte.

De taal van de dingen in huis – vrij naar Lydia Davis

Voor N.

Tot haar verrukking komt na tien dagen de snijbiet op. Minuscule blaadjes hebben zich door de aarde naar boven gewerkt; ze richten zich nu naar het licht, op hun fragiele stelen. De nachten zijn koud, soms zelfs nog met nachtvorst, maar overdag wordt het steeds aangenamer, en de achterdeur blijft open. Dat je dat gewoon kunt doen, snijbiet planten, en dat het dan ook daadwerkelijk opkomt.

De taal van de dingen in huis – dat is de titel van een boek dat zij naast haar bed heeft. Het is van een Amerikaanse schrijver, zij wordt geroemd om haar korte verhaal, dat soms zó kort is dat het maar één alinea beslaat. Daar heeft de schrijfster dan wel – zo las zij in de essays – maanden op gezeten, soms nog langer. Het gaat niet vanzelf, het gaat nooit vanzelf, al lijkt dat soms zo. De verhalen in deze bundel vielen wat tegen, zij las andere die ze beter vond, maar de titel is zo mooi, daarom ligt het er nog.

Dat zijzélf zoveel over het gezinsleven schrijft – dat was iemand opgevallen, die vond daar iets van. Zij is toch ook boekverkoper, en ze is zelfs gevraagd voor een literaire jury, om boeken te beoordelen. Waarom het daarover nooit gaat.
Het verbaast haar, deze observatie, die van een dierbare meelezer komt. Jij kiest het onderwerp niet, het onderwerp kiest jou – dat is al eerder gebleken. Het gaat om de ontvankelijkheid. En dan valt er iets in, er haakt iets aan; een kleine kiem, het begin van alles.

En in dit leven, dat zo dichtbij is, schuilt het grote dat ze zichtbaar wil maken. Dat probeert ze steeds weer. Dat ze boeken verkoopt en een prijs uitreikt, is niet waar het om gaat. Het zijn de mensen en de dingen in huis – want wie vertelt hun verhaal als zij dat niet doet?

Een zwarte bakpan, die heel mooi is, en die ze van haar ouders kreeg. Het was een jaar geleden, een cadeau voor haar trouwdag. Ze wist waar ze hem moest kopen, een specifieke winkel in Amsterdam, daar werken kundige mensen, en ze hebben er heel veel. Hoe vaak ze hem zou gebruiken en waarvoor? Verschillende soorten liet hij zien; verschillende maten en prijzen. Hij sprak enthousiast en dat werd zij ook. Ze koos een eenvoudig model van gietijzer. Een goede keus, die bakt steeds beter. Dan heb je nooit meer iets van teflon nodig, en dat wil je ook niet meer, want dat is giftig en vergaat haast niet.
Zij ziet zichzelf teruglopen, verguld van de nieuwe aankoop, die zwaar rust in de tas op haar rug. En de jongen in de winkel had gelijk, ze moesten er aan wennen thuis, dat-ie zo zwaar is, en zo heet wordt, ook de steel. Maar dat is juist zo fijn, want hij bakt fantastisch, heel gelijkmatig en alles lukt.

Wanneer ze in de vroege ochtend de deur in de keuken opent, wanneer ze de bak met kleine plantjes ziet staan – dan trekt er een glimlach over haar gezicht. Zo gemakkelijk kan het soms zijn, dit groeien gaat vanzelf.

Een vrouw in stukken

Een broek die roodkleurt tijdens een evenement, je dacht dat iedereen het zag en schaamde je dood. Terwijl: daarvoor wil je je juist niet meer schamen, dat hoort er gewoon bij. Een samengesteld bosje bloemen; ze worden ingevlogen uit verre oorden, en niemand weet meer wanneer ze werkelijk bloeien, je krijgt ze steeds weer en kotst ervan. En de stofzuiger staat opnieuw werkloos midden in de kamer, maar nu met een andere reden. Het leven! Een vrouw! De grilligheid!
Je wilt lezen, schrijven, en vindt er de tijd niet voor. Alleen de korte momenten die overschieten tussen de afwas en touwtjespringen. Draaien met twee kleuren, een groen en een paars touw van plastic, zwaaien met twee armen als een yoga oefening. De monomane concentratie, het doorwerken, dat bestaat nu gewoon niet. De focus wordt sowieso steeds minder, de aandacht raakt versnipperd. Straks is ze helemaal verdwenen, en kunnen we alleen nog maar swipen. Dan valt alles in stukken.
Je gaat de keuken in en trekt een schild tussen jou en de wereld. De reuk is nog steeds niet zoals die moet zijn. Geurhallucinaties – een vieze lucht die voortdurend in je neus zit, zonder dat je de bron ervan kunt traceren. Uit arren moede rook je in de deuropening een halve sigaar. De rook dwarrelt naar binnen, het waait heel hard. Zo gaat het steeds, zo gaat het altijd, en meestal is het goed, je geniet daar ook van, het is niet dat je dat niet ziet, maar soms neemt iets anders het over, dan is er geen verweer.

Na twee uur slapen word je wakker. Je drukt een pijnstiller uit de strip, zo’n roze gladde die gemakkelijk naar binnen glijdt. Boven het bureautje hangt een ingelijste foto van een vrouw; een uitgescheurde reclame voor een toneelstuk. Je vond het beeld zo mooi; van de oudere vrouw in een rommelige kamer, zij zit achter een piano maar daarvan afgewend, haar blik in de verte. Pieces of a woman – zo luidt de titel van het internationaal bekroond stuk. Je hebt het niet gezien, zult het niet zien, maar het beeld hangt in de slaapkamer boven je bureautje. Stukken van een vrouw.
In het donker hebben de gedachten ruimte alle kanten uit te gaan. Je wilt ze vasthouden en tot morgen bewaren, ze dan tot een eenheid smeden. Maar voor je het licht weer aangeknipt hebt om ze op te schrijven, in het kleine boekje dat om die reden naast het bed ligt, ben je weer in slaap gegleden. En wanneer de eerste vogel zingt, met een lied dat uit twee tonen bestaat, zijn de zinnen inderdaad verdwenen, en heb je spijt dat je het lampje in de nacht niet hebt aangedaan.

De volgende dag was een kind ziek. In de nacht leek het heel erg, haar voorhoofd gloeiend in het donker van haar kamer. Je dacht, dit wordt niks, die kan morgen niet naar school. De dag erna viel het mee, maar toch bleef ze thuis. Een kopje thee, een lekker brood dat je speciaal gekocht had bij de goeie bakker; een zacht geel brood met abrikozen erin. Jullie sneden er plakken van, dikbesmeerd met boter.

Later drink je koffie voor je naar huis gaat. Om het tussengebied tussen hier en daar, tussen functioneel in het ene of andere opzicht, nog even op te rekken. Dan kun je eindelijk de gedachten laten dwalen. De verbeelding schuilt in de beelden die je opmerkt, neerschrijft en bij elkaar probeert te brengen. Het beeld van een schrijver in het wit met een klein hondje; de plastic zakjes die als vrolijke groene strikken aan de lijn geknoopt zijn. Een andere schrijver met een lachend gezicht en warrig haar dat nonchalant-artistiek rechtop stond. En de oranje vrachtwagen, glimmend gepoetst, zoals een speelgoedautootje maar dan heel groot. Een slang werd aangekoppeld, met een hendel en een klik, die zo fijn klinkt. De putdeksel ging open en de slang hing erin. Wat er gebeurde was onduidelijk, maar het was functioneel en iemand moest het doen.

Je staart uit het raam, fietsers die voorbij komen, een stoplicht springt op rood, op groen en dan weer op rood.

Het zijn nog steeds losse stukken, je krijgt ze niet bij elkaar, maar hoe erg is dat eigenlijk. Het leven, een vrouw. Een vrouw in stukken.

Zij verzamelt zinnen waar ze gaat

extra editie bij een jaar Een leven in scènes, voor de trouwe fans en lezers van het eerste uur

Na zeven jaar verscheen een nieuwe editie van het woordenboek. Dit was een heuglijk feit, er was naar uitgezien, het werd een item in het achtuurjournaal. Het zijn ook nu weer drie dikke delen, gebonden boeken in een gekleurde band. De belettering is anders: gemoderniseerd, je zou haast zeggen hip. Het hele pakket ziet er indrukwekkend uit, je krijgt zin om het aan te schaffen, er zomaar wat in te bladeren.
De hoofdredacteur van de omvangrijke cassette – met een naam die in niets aan taal doet denken, eerder aan eten, al is alles natuurlijk taal – sprak erover voor de radio. Hij hield een gloedvol betoog: waarom een papieren lexicon te verkiezen zou zijn boven de online variant. Omdat je dan op verrassingen stuit, toevallige woorden tegenkomt waar je niet naar zocht maar die je nu wel vindt.

Hoe het werkt in je hoofd, hoe letters woorden zinnen maken. Zinnen die betekenis hebben, en een coherent geheel blijken te vormen. En dat je daarmee een verhaal schrijft. Hoe het ontstaat, hoe het schijnbaar toevallige samenhang krijgt. Het is een raadsel dat steeds weer verbaast.
En dat je met taal dingen kunt doen, werkelijk een daad stellen. Daarover leerde je al tijdens je studie, er was een heel vak dat daarover ging. Maar het lijkt wel alsof je het nu pas ten volle snapt: wat jij doet ís iets. Een jaar lang in alle vroegte je potlood slijpen. De boom voor het huis bloeit weer, witte sneeuw op witte bloesem, wanneer je opkijkt kleur de lucht voorzichtig donkerblauw in plaats van zwart.

Een compliment van de professionele lezer; hij kruiste je pad, nog niet zo lang geleden. Het maakt dat je op deze doordeweekse maandagochtend de stofzuiger links laat liggen; het ding staat midden in de kamer maar je wendt je af. Je richt je blik op het zwart-gele schrift dat voor je ligt, om te doen wat je wilt doen. De zelfgecreëerde methode, van met de hand, met potlood, gewoon beginnen, altijd weer – en zo wat vanbinnen sluimert tevoorschijn te halen.
En als je daarna opstaat van je plek aan tafel, is er iets veranderd. Dan neem je de dagelijkse riedel weer ter hand, maar dát gaat nog door, het gaat altijd door. De losse briefjes in huis vullen zich weer met half afgeschreven zinnen, ze worden neergeschreven inderhaast, terwijl je een was ophangt, iets hoort op de radio; een kind zegt iets. Een gedachte is soms net als een droom, die voor je hem kunt navertellen al vervliegt.
En intussen denk je aan de vrouwen die je zijn voorgegaan, die ook hoekjes zochten aan de randen van de dag; dat zijn er veel. Je denkt aan Sylvia Plath; zij schreef haar beste werk om 4 uur in de ochtend, haar twee heel jonge kinderen lagen in diepe rust. Je denkt aan Madeline Albright die aan haar proefschrift werkte in de nacht, om daarna weer brood te smeren voor de anderen.

En soms is er de gedachte: kon je maar, deed je maar. Met drank op iemand aanklampen, meegaan naar een vreemd huis en zien waar dat eindigt. Jezelf loszingen van dat wat je hier houdt. Maar je weet ook: wanneer jíj het spoor bijster raakt, dan loopt het in de soep, dan raakt iedereen uit de pas. En je doet dat niet, je zult het niet doen. Het stramien is nodig, het houdt je op de rit, en zorgt ervoor dat je dit kunt doen: dingen maken die er voor die tijd niet waren. Je zocht er niet naar, maar vindt ze wel.

Hij heeft zijn stem gevonden

Ook in haast op losse briefjes geschreven zinnen zijn zinnen. Je verzamelt moed om ze überhaupt neer te schrijven. Want eerst staar je dromerig uit het raam als een klein kind. En vervolgens poets je het dakterras in de eerste zon. Veegt de ingedroogde uitwerpselen op van de katten uit de buurt, gaat het mos met een borstel te lijf; dat heeft een groen waas gevormd op de houten vlonder. En je wilt oprecht graag de gordijnen wassen; het grijs van de winter laten verdwijnen met het vuile water. Wanneer ze schoon hangen valt het licht er zo mooi door.

Het ging over stemmen, je wilde iets zeggen over de stemmen die klinken. Je dacht aan de jonge vrouw, die je ontmoette in het voorbijgaan. Ook zij wilde schrijven, ze had al vellen vol gepend, het ging ergens heen. Maar toen sloeg de geboorte van haar kind een krater in dit alles. De tijd, waar was die gebleven? Hoe vinden wij nadien onze eigen stem weer terug?
En jij vond een map terug, een zwarte 4-rings multomap met teksten erin. Je was verheugd, je had gedacht dat ze waren kwijtgeraakt; de computers waarop je ze schreef bestaan al lang niet meer. De oudste dochter die altijd graag meeleest merkte op: ik herken jou erin, je schreef toen net als nu. Die stem – die had je blijkbaar al.

De schrijfjuf heeft gezegd: iedereen heeft een verhaal, het gaat erom hoe je het vertelt. Het verhaal dat jíj wilt vertellen, dat is poëzie van het dagelijks leven, want verzinnen kun je het niet. Nu gaat het over de reis die je maakte, naar een vreemde stad; het was een uur met de trein, en nog een stuk met een tram. Je ging door het donker, een vriendin aan de arm, met een heldere hemel en een halve maan in de nacht.
En daar stond het koor in een boog te wachten, in een grote ronde nis met bijbelse taferelen, die zijn gemaakt van heel kleine steentjes. Als een kleurrijke omhulling van de in het zwart geklede mannen en vrouwen. Er waren werken gekozen om een oude oorlog te herdenken; nu hebben de koorleden geel-blauw vaantjes op de borst gespeld.
De kleine dirigent beweegt alsof hij danst. Vanaf de eerste bank is zichtbaar dat hij heel hard werkt. En hier in deze kerk, die gevuld is met heel veel mensen, klinkt eindelijk het lied dat je thuis al heel vaak hoorde. Je bent trots en het raakt je, hem hier te zien staan. Hij zingt vol vertrouwen en alles gaat goed.

Waar jij een dag nodig hebt om één zin neer te schrijven die blijft, bikt hij in het overvolle programma de hoekjes uit om ze te vullen met zijn stem. Waar jij in de vroege ochtend zoekt, heeft hij zijn stem al lang gevonden.

Geel – en bij thuiskomst blauw

En toen was je plots in een gele fase beland; wellicht had het met de situatie in de wereld te maken. Het begon ermee dat je een knalgele trui kocht van heel zachte wol. Waar je dacht dat geel je niet stond, bleek het prachtig te kleuren bij je donkere haar; je droeg hem de hele week.

De kerk in het dorp heeft een geel geschilderde spits. Je komt er niet achter wat de reden is van dit anachronistische verschijnsel. Het is een middeleeuwse kerk met een heel smalle trap van kleine vierkante stenen die met scherpe bochten naar boven wentelt. Je moet eerst naar boven roepen, tegenliggers kunnen elkaar niet passeren in de bochten. Vanaf de top – het waait er flink, de wind is heel koud – kun je het eiland in de verte zien liggen. Na een stuk vlak land en een dijk, met erachter de zee, ligt ver weg een strook duinlandschap. Eenmaal boven zie je van dichtbij hoe geel het topje van de toren werkelijk is.

Vlak voor vertrek naar het kleine dorp in het noorden, kocht je een geel opschrijfboekje van een chique merk. Je draagt het voortdurend bij je, krabbelt flarden en zinnen waar je gaat. Er was een schrijver, een échte schrijver; zij had een boek uitgebracht, het omslag was okergeel. Je las het bij verschijnen en vond het heel mooi. In rake zinnen schetste zij een leven dat boeit.
De schrijfster lacht veel, en beweegt snel en zelfverzekerd door de ruimte. Zij is klein van stuk en frèle, de lippen rood geverfd, met donker haar dat in een korte coupe om haar gezicht valt; ze doet je denken aan Juliette Binoche in Te Unbearable Lightness of Being. Je vertelt haar hoe goed je haar werk vond, dat je erover schreef, ze moet er ervan blozen, ze schrijft een opdracht in jouw exemplaar.

Later de vraag van een jonge vrouw, buiten aan een gele tafel. In de laatste zon van de dag drink je een glas bier en rookt een sigaar, zij rookt een sigaret. De vraag of je, als je moeder wordt, niet verdwijnt als méns. Ze stelt haar vraag met de nadrukkelijkheid, de urgentie, die je alleen op deze leeftijd, zij is halverwege de twintig, aan de dag kunt leggen. Je moet erom lachen. Ja, dat gebeurt, in het begin, en daarna komen er zoveel lagen bij, dan word je weer jezelf, maar dan een andere zelf.

Het hele weekend schijnt de zon met een helderheid die we gemist hebben de afgelopen maanden. We vergeten wat er verder gaande is en wenden ons gezicht naar het licht, sluiten onze ogen en voelen de warmte op onze wangen. Het landschap schittert surrealistisch als een schilderij, waarop de winterse kleuren je tegemoet knallen. Een strakblauwe lucht boven bleekgele stoppels, de rietpluimen wuivend in de wind. En het land is vlak, zó vlak; de lege weidsheid beneemt je de adem.

En bij thuiskomst, na een lange treinreis, denderen alle verschrikkingen van de wereld weer over je heen. Het weekend lijkt een droom, net zo ver weg als het kleine dorp met de gele torenspits aan de uiterste rand van ons land. Je brengt drie tassen met warme kinderkleren en tandpasta naar een lokaal inzamelpunt, je maakt geld over naar de hulporganisaties en zaait zonnebloemen. Wat kun je verder nog. En je leest het enige boek dat je nu kunt lezen, dat met het knalblauwe omslag, dat verhaalt over het land en het conflict, en dat voor een bepaald soort verbinding zorgt met de mensen aldaar waarvoor je hart bloedt.

Zij heeft haar keuze nog niet gemaakt

In een winkel net buiten het centrum verkopen ze tweedehands spullen, vooral kleding, maar ook boeken en meubels. Je ziet daar een laag tafeltje; een soort vierkant dienblad op pootjes. In gedachten ga je naar de kamer thuis, de nieuwe indeling met de bank in de achterkamer, en meer ruimte voor het stugge geknoopte kleed, waar je nu zo heerlijk op de grond zit met thee, om spelletjes te spelen met de kinderen. Je rekent het tafeltje af bij de lieve vrouw die doof is aan één oor – net als het jongste kind.
Op de stoep voor de winkel tref je de kleuterjuf. Als zij een vraag stelt, luistert ze echt naar het antwoord, en wat ze zelf vertelt is nooit zomaar iets. Ze heeft een compact, tanig lichaam en rozige wangen die de sporen dragen van veel buitenlucht. Heldere ogen, in haar oren twee kleine gouden hangers met een lichtgroen steentje. Ze praat langzaam en articuleert duidelijk; ze kijkt je aan.

Later denk je weer aan haar, die de juf was van het jongste kind. Het kind dat nu naast je fietst op de snelle fiets, de sportfiets die je vijftien jaar geleden kocht om mee door de duinen te fietsen, bij wijze van sport. Dat doe je al lang niet meer, en intussen is het kind bijna groter dan jij. Jullie fietsen naar een nieuwe school, de enige school die je daadwerkelijk vanbinnen kunt zien. Jij vindt het spannend, het kind niet. Op het plein parkeert zij de grote fiets achteloos tussen de andere fietsen en loopt naar de ingang. Ze gaat de school in zonder nog om te kijken.
En jij fietst bedachtzaam een klein stukje terug richting het dorp. Een laan met bomen vormt de grens tussen het scholencomplex met sportvelden, en het natuurgebied dat ernaast ligt. Waar je hoopte thee te kunnen drinken in een dorpscafé blijken alle deuren op dinsdagmiddag gesloten. Alleen bij de bakker kun je terecht; daar bestel je een glas kokend water met een zakje pickwick thee. Op de toonbank staat een hoge plastic vaas met paaseitjes in allerlei kleuren; je kiest er vier uit en eet ze achter elkaar op. Een vrouw met grijze krullen die ze met een speldje naar achter heeft gestoken, zet een glas voor je neer op het witte formica blad. Ze wil graag kletsen, er is verder niemand. Haar zoon zit ook op die school, ze lijkt dat niet bijzonder te vinden. Als het goed gaat met je kind, heb je er als ouder niks te zoeken, ik ben er de laatste jaren niet meer geweest. Er viel wel veel weg, dingen gingen niet door, dat was jammer voor hem.
Zelf voel je wel een zekere opwinding. Niemand gaat toch zomaar naar het gymnasium? In jouw familie is zij de eerste. Je bladert door de krant, denkt eraan hoe ze als kleuter, ze was toen al groot, voor het eerst naar school ging. Hoe ze bedachtzaam kon kijken als ze luisterde naar de juf. Hoe heerlijk ze het vond toen ze als oudste kleuter extra taakjes kreeg. Ze timmerde een poppenbedje en maakte er een dekentje bij, van de juf kreeg ze een gebreide kabouter om erin te leggen. Nog jaren heeft het bedje op haar kamer gestaan.

Je kijkt naar buiten, het begint te regenen, je rekent af en haalt de zwart met rode regenjas uit je fietstas. Op het plein staan meer ouders te wachten, het regent steeds harder. Dan komen de kinderen naar buiten. Zij is ook hier bijna de grootste. Zelfs de brugklassers van dit jaar lijken kleiner dan zij. Mag ik mijn regenjas is het eerste wat zij zegt, verder komt er geen woord. Tegen de wind in, de striemende regen in het gezicht, terug naar huis. Bij het viaduct, waar het fietspad onder de provinciale weg doorbuigt, zegt ze: we kregen Frans en Wiskunde. We moesten een gesprekje voeren en een ingewikkelde som uitrekenen. Er zaten ongeveer twintig kinderen in het groepje. Ze klaagt niet over het weer of de afstand, ze trapt stevig door. Thuis trek ik mijn onesy aan en wil ik een kop thee is het enige wat ze erover zegt. En dat haar spijkerbroek ze akelig tegen haar knie plakt, en dat ze langzaam natte sokken krijgt.

De volgende ochtend liggen er takken op straat; een boom is omgewaaid. Dan regent het niet meer en is de lucht licht, in het park bloeien de sneeuwklokjes. Haar vader zegt: als je voor deze school kiest, krijg jij ook een snelle fiets, die kopen we dan nieuw voor je in de winkel. Maar zij laat zich niet tot een oordeel dwingen, ze heeft haar keuze nog niet gemaakt. En in de middag spelen jullie weer het spel met de treinen, op het kleed in de achterkamer.

Flarden, er is geen tijd voor meer

Je leest interviews – ze staan in alle kranten – met de auteur van een biografie. Zij heeft er acht jaar aan gewerkt, het is de biografie van een Nederlandse schrijfster. De biografe beweert dat het gepolijste beeld dat we van deze schrijfster hebben niet klopt, dat ze een slecht huwelijk had en vaak ongelukkig was. Dat mensen om haar heen altijd zeiden: je komt er niet achter wat ze werkelijk vindt. Het zwarte schrift verdween niet in de shredder, en daaruit werd nu gretig geciteerd; intieme details werden openbaar gemaakt. Je krijgt er een ongemakkelijk gevoel bij; haar werk moeten we lezen, daarin wordt alles zichtbaar. De discrepantie tussen het uiterlijke leven – het zorgen, poetsen, redderen – en de vergezichten die zich vanbinnen openbaarden. De worsteling, die hield zij voor zichzelf. Intussen publiceerde zij meer dan vijftig jaar in alle genres, en werden haar boeken met grote internationale prijzen bekroond.

Het kreeg ons weer te pakken; het was zoals eerder, en iedereen bleef thuis. Overdag is er geen lege tijd; om toch de stilte van je eigen ruimte te ervaren, sta je nog vroeger op dan normaal. De hele week draag je dezelfde kleren en je haar zit vreemd. Je mag niet naar je werk, al ben je zelf niet ziek. Eigenaardigheden worden uitvergroot. Dat je je mobiel weglegt in de voorraadkast in de mooie zelfgemaakte etui, om je schermtijd te beperken. Je wilt wel nuttig bezig zijn, maar dat gaat gewoon niet steeds. Dat je goedkope olijfolie overgiet in chique flessen met een mooier etiket. En in de avond knoop je je nieuwe roze schort voor, om in de keuken ingewikkelde recepten uit te proberen, je kookt dat het een aard heeft, ook al heb je na vier maanden je reuk nog niet terug. De tijd vertraagt, maar maak je dan ook minder mee?

Het jongste kind vliegt door het schoolwerk. Het aquarium van Gijs, daar moet ze ingewikkelde berekeningen mee maken, hoogte, lengte, diepte – en hoeveel liter past er dan in? En dan de zinsontleding, wat is het ruimtelijk bijwoord? Het was jouw vak, maar veel is weggezakt. De woorden zo precies te kunnen ordenen en classificeren – dat doe je haast nooit meer. Bovendien is het kind slimmer dan jij. Ze fietst naar de bieb, en brengt daarna uren lezend door op de oude roze bank, die in de nieuwe indeling weer oogt als nieuw. En terwijl de meisjes tv kijken aan de achterkant van het huis, probeer jij die ene flard op te schrijven, voor de gedachte weer vervliegt. Je denkt aan de bekroonde schrijfster, wilt haar boeken graag weer lezen, maar overdag lukt dat niet en ’s avonds ben je te moe.

Na een week kan de Zanger weer zingen; je hoort Ich habe genug* uit de leskamer klinken en denkt: ja, ik heb ook genoeg van dit alles. Je gaat tekeer tegen de meisjes om niks, zij kunnen het ook niet helpen, maar je wilt dat ze weer naar school gaan, dat is immers de bedoeling. De hele week was je een logé in je eigen huis, nu verschoon je het grote bed, het; je stopt het zware dubbele tweepersoonsdekbed in de nieuwe gele overtrek, de kussens in bijpassende slopen. Beneden bloeit de kornoelje met kleine gele bloemetjes in de zon.

* Uit de cantate BWV 82, die J.S. Bach componeerde voor Maria Lichtmis, 2 februari 1727

Vois sur ton chemin

Voor Elisabeth

Elke ochtend schud ik je wakker en praat tegen je. Soms houd ik je vast, mijn gezicht dichtbij je oor en wens je goedemorgen, zeg dat ik van je houd. Ik denk dan dat de taal die jij niet kunt horen je toch op de een of andere manier bereikt. Zodra je je ogen opent, lees je de gesproken woorden van mijn mond.

Nadat je geboren was zijn we gebarentaal gaan leren. Elke dinsdagavond reden we over de A9 naar het audiologisch centrum in Alkmaar, dat gevestigd was in een heel lelijk hoog gebouw, met op een van de andere verdiepingen de reclassering. Het centrum was van een ontstellende lelijkheid, met lage systeemplafonds, grijze vloerbedekking en deuren die met een holle klank te hard dicht sloegen. In de wachtruimte stonden smakeloze stoelen, en er hingen informatieve posters aan de muur. Hier werkten de kundige en empathische mensen, die voor ons de eerste kennismaking vormden met een onbekende wereld.
De eerste jaren sprak je alleen met je handjes, je was daar heel goed in en kon alles zeggen. In de avond lag je in je spijlenbedje de dag door te nemen in kleine gebaartjes; dat je een paard had gezien op de kinderboerderij. Toen je wél begon te spreken was je tweeëneenhalf. Aanvankelijk was het aarzelend, maar gaandeweg kreeg je steeds meer vertrouwen, en toen ging het heel rap. En nu is aan jouw spraak niets vreemds te merken; niemand hoort dat jij extra je best moet doen om de ander te verstaan, en dat je zonder je hoortoestel vrijwel doof bent. En jij ontwikkelde je tot een stevig en vastberaden kind, dat op haar dertiende naar een middelbare school gaat met meer dan vijftienhonderd leerlingen om vwo te doen.

Op deze nieuwe school krijg je allerlei nieuwe vakken, waar je gretig en enthousiast aan werkt. Voor Frans moet je woordjes leren en dat gaat je gemakkelijk af; voor dit vak haal je het hoogste cijfer en je bent trots. Omdat jullie goed op schema liggen, en er tijd over is, heeft de docent voor de laatste lessen een film meegenomen. Een Franse film over een leraar die op een internaat in het Frankrijk van net na de oorlog een koor begint met de kinderen. Het is een remake van een film uit 1949, een met prijzen overladen arthouse productie.
Ik weet niet hoe de andere kinderen uit jouw klas naar deze film keken, maar jij werd gegrepen door het verhaal, waarin muziek een belangrijke rol speelt. Je had de soundtrack op Spotify al snel gevonden en luisterde die – via een bluetooth verbinding direct in je toestel – voortdurend. En toen de laatste lessen vervielen en je de film niet kon afkijken op school, mailde je de leraar met de vraag of je de dvd van hem kon lenen. Dat ging helaas niet, maar je kocht een exemplaar op Marktplaats, wachtte ongeduldig tot het schijfje in een envelop met de post werd thuisbezorgd, en keek de film nog diezelfde middag in je eentje op de laptop af.

Er is iets in de muziek uit deze film dat een snaar bij jou raakt. Wat het precies is, weten we niet. We weten na al die jaren nog steeds niet hoe jij muziek ervaart, hoe het binnenkomt in jouw hoofd, en wat je ervan hoort. Eén van de liedjes wil je graag zelf zingen. Je hebt je nog nooit laten weerhouden door je handicap, en dat doe je dus ook nu niet. Je zat op pianoles en blokfluit, en ook al hoorde je het niet als je een verkeerde noot speelde, en waren de harmonieën soms bijzonder en anders – de muzikaliteit draag je bij je, die bestaat in jou.

Het is zaterdagavond als je na het eten samen met je vader achter de piano zit. Het warme, lichtgele licht van de pianolamp, schijnt op de bladmuziek van Vois sur ton chemin. Hij speelt de begeleiding en samen zingen jullie de melodie van het liedje dat we intussen allemaal goed kennen. Je stem is helder en grotendeels heel zuiver, een enkele noot is anders dan er staat. Ik sla het tafereel in grote verwondering gade. Ik denk aan hoe je doof bent in de vroege ochtend. Ik denk aan vele momenten dat je iets niet hoort, of een heel gesprek aan tafel gemist blijkt te hebben. Ik denk aan het gevoel van wanhoop dat mij als moeder overviel. Hoe je voor het eerst naar schaatsles ging en de juf niet kon verstaan. Hoe je zwemles kreeg in een heel klein badje, en je diploma haalde in dezelfde tijd als de andere kinderen, hoe trots ik toen was. Hoe trots ik zo vaak ben. Ik denk aan vanwaar we gekomen zijn met jou en met elkaar. Ik pak je van achteren vast en we wiegen samen terwijl de muziek klinkt, we zingen samen, jij de tekst, ik neurie mee, je lichaam tegen het mijne, en boven je hoofd lopen de tranen over mijn wangen. Jij merkt dat niet, ik wil het niet laten merken want je hebt er een hekel aan je moeder te zien huilen, maar mijn wangen worden nat en de tranen druppen in jouw haar.

Enkele woorden in blauw

In een droom werk ik in een winkel met kasten van donker hout. De kasten zijn allemaal verschillend; ze hebben brede of heel smalle planken, rechte en schuin afgezaagde. En er zijn zelfs kasten met heel kleine lades waar boeken in zitten; de laatjes gaan moeilijk open. Sommige kasten lopen door tot óp de grond. Wanneer er gevraagd wordt naar een boek op de onderste plank, moet je flink door je knieën om het te pakken. Dit alles verbaast niemand. De ruimte is rommelig en doet ouderwets-klassiek aan; het heeft iets geheimzinnigs. Of sprookjesachtig, zoals in de boeken van Harry Potter, met ruimtes die opeens tevoorschijn komen of weer verdwijnen. De winkel is langgerekt, en loopt heel ver naar achteren door; het is een echte pijpenla en het is er heel druk, er zijn veel mensen binnen.
Ik krijg een briefje met een aantal titels erop in mijn handen gedrukt. Een collega uit een andere winkel, die ik nog van vroeger ken, schreef ze op. Deze titels komen me allemaal totaal onbekend voor, in lichte paniek loop ik door de ruimte en ik kan niks vinden. Hoe hebben ze het hier georganiseerd? Staan de boeken wel op alfabet, of op rubriek? Ik kijk op planken, trek lades open en duw mensen opzij om erbij te kunnen – zonder resultaat, ik kan de klant niet helpen.

Bij het wakker worden is de wereld blauw, en aan de achterkant lichten verschillende ramen op in het donker. Ik verlang naar roze. Ik fiets op een nieuwe tweedehands fiets die rood is in plaats van groen naar een heel ander soort winkel. Hier komen nog geen mensen, het is er heel stil. En zo opgeruimd en aan kant als het nooit was. Alle kasten gestoft en gedaan. Alle hoekjes met troepjes uitgezocht, papieren geordend, de vloer in de keuken gepoetst. En alles en alles. Het meest opwindend deze dag is de balk in het scherm die plots donkerblauw is in plaats van grijs.
Er staat iemand voor de deur, hij mag niet naar binnen. In de deuropening is een hoge ronde tafel geplaatst, met een zwart kleed tot op de grond en een spatscherm waarop met witte plakletters: afhaalloket staat. De man zegt zijn naam, en ik haal zijn bestelling, hij is opgetogen: Afhaalloket, dan denk je aan kroketten, maar je krijgt een boek, wat een feest!

In de avond als je weer naar huis fietst heb je een blauw boek in je tas gestopt. Het is van een Franse schrijfster die columns schreef voor Libération, dat was veertig jaar geleden. Ze wist niet waarover ze moest schrijven, ze schreef vooral over de zee. Het was een regenachtige zomer, ze schreef over regen. Je kiest het onderwerp niet, het onderwerp kiest jou. En als je thuiskomt, staan er roze tulpen in een vaas, en ligt er een kaart op tafel te wachten. Want één van hen kon niet komen op het feestje. Een paar woorden slechts schreef zij, en die bereikten je na een week, als was het een wereldse reis die de envelop vanuit de provincie moest maken. Zij heeft ze geschreven in het huis waar buiten en binnen in elkaar overgaan. De tafel waaraan zij zit zie je voor je. De handgeschreven gelukswens, of liefdesbetuiging, is een zeldzaamheid geworden. De kaart bewaar je als een kostbare kleine schat.