Fragment 4: processor

En wat er ook nog was, naast alle dingen die ze moest onthouden zeggen doen, ze had roze post-its als reminder in haar agenda en boven haar bureau geplakt. Wat er ook nog was: de wifi op haar laptop deed het niet. De drie gebogen streepjes onderin het scherm, de regenboog – hij was verdwenen. In plaats daarvan een wereldbol die alsmaar rondjes draaide en waar je niets aan had in dit verband.
Schrijven doet ze met de hand met vulpen op papier. En de fragmenten die er zijn ze plakt ze in een document achter elkaar, een sjaal die ongemerkt steeds langer wordt, ze mailt de teksten aan zichzelf. Hoe ik in zij verandert onderweg – het is een wonderlijk proces waar ze geen vat op heeft, het pendelt heen en weer. De ik naar zij te mailen, dat ging nu niet, de wifi haperde, er moest iets aan gebeuren.

Er zit een winkel op de hoek vlakbij het grote kruispunt met stoplichten, naast de kerk. De kinderen, de meisjes – ze hadden daar gezongen, een kerstconcert van school. Toen ze zich netjes hadden aangekleed, de haren in een vlecht een mooie jurk. En aan de overkant zit een computerwinkel, ze was er nooit geweest, daar ging ze heen.

Het was op zaterdag. De winkel op de hoek was leeg er was geen mens het was nog vroeg. Achter een glazen wand stonden schermen opgesteld wel meer dan tien. Sommigen gaven een zwak blauw licht af, anderen leken uit te staan, maar er knipperden kleine lampjes aan de zijkant. En of er ook mensen in die ruimte in het blauwe schijnsel waren, het was niet goed te zien van waar zij stond. Voor de toonbank keek ze om zich heen. Rechts een rek met beugels met kartonnen doosjes netjes op een rij. Aan de linkerkant onder het raam stonden grote dozen opgestapeld, met merknamen in witte en blauwe letters. Haar blik dwaalde naar buiten. Het voorjaar dat geruisloos begonnen was en een lichte groene sluier over de bomen had gelegd.

Na een tijdje kwam er iemand tevoorschijn van achter de glazen wand, de ruimte waar het schemerdonker was. Een bleke jongen haast een kind, hij had gevraagd waarmee hij haar kon helpen. Ze was bang dat ze niet goed uit haar woorden komen zou, het probleem waarvoor ze kwam – ze had het op een roze post-it opgeschreven.
Het was de wifi. Hij vond het netwerk niet, het leek niet te bestaan. De regenboog – ze zag hem niet, en er werd steeds opnieuw het wachtwoord gevraagd. Ze gluurde op het roze briefje. Haar vraag zo adequaat te formuleren, ze was immers een volwassen vrouw. Maar er kwam geen respons. Het lange dunne kind dat voor haar stond, hij reageerde niet hij sprak geen woord. Hij keek alleen maar naar het scherm, de laptop die tot leven kwam. Drukte op de toetsen, verschillende tegelijkertijd, zijn vingers gingen heen en weer totdat het scherm eerst blauw werd en vervolgens zwart. Toen trok een lichte frons over zijn gezicht dat onnatuurlijk bleek was met een spoor van dons boven zijn lip. Ze vroeg zich af hoe oud de jongen was en of hij zich al schoor. Er werd iets gemompeld dat ze niet verstond, zonder haar aan te kijken klapte hij haar laptop dicht. Voor ze er erg in had was hij verdwenen in de blauwe schemering achter de glazen wand.

Hoe lang het duurde wist ze niet. Ze keek naar de bomen op de stoep, een vogelhuisje dat tegen de gladde stam was opgehangen. Ze keek naar buiten tot hij weer tevoorschijn kwam.

Het was de processor. De processor had dertien dagen onophoudelijk gedraaid. Dertien dagen! Hij herhaalde het alsof hij nauwelijks kon geloven wat hij zojuist had vastgesteld. En zij had geen idee waarover hij het had. Maar dat je van slag raakt als je dertien dagen iets probeert wat steeds niet lukt – dat begreep ze wel; hoe problematisch en uitputtend dat moet zijn. De zoemende aanwezigheid op de achtergrond terwijl het werk aan de voorkant om stilte vraagt.

Het is belangrijk moet u weten, te zorgen dat-ie echt wordt afgesloten! Dus niet alleen het scherm dichtklappen, maar het hele systeem! Afsluiten! Zodat het stopt! Ik zal u laten zien hoe u dat thuis kunt doen.

Dit alles dat voor haar ogen gebeurde, ze stond er vol verbazing naar te kijken. En dat er uit die mond met smalle lippen in een bleek gezicht toch woorden kwamen en een hele zin. Terwijl ze in de lege winkel stond. Terwijl ze halverwege de instructie een blik naar buiten wierp, een koolmees zag tegen de gladde stam, het kleine kopje zaden pikkend uit een mandje voor zijn jong dat in het vogelhuisje zat. Terwijl het kind dat voor haar stond, hij leunde naar haar toe om aan te wijzen, wat er moest gebeuren. Opnieuw opstarten en shift en een blauw scherm. Dan moest het goed gaan. Hij had het voor haar opgelost, ze zag de regenboog weer onderin. En het was nog binnen het kwartier dat gratis is. Ze was verbaasd, het leek veel langer toen ze stond te wachten en naar buiten keek, een koolmees had gezien.

Deze tekst verscheen eerder in het voorjaar van 2026 in Papieren Helden, editie Het vallen

Een winterslaap in een nest van groene dekens

Het verlangen naar een winterslaap is een verlangen naar kalmte om de dingen te laten rusten – het doet zich voor in de drukste maanden van het jaar. Ze denkt eraan hoe onhandig dat is, als ze in haar bed, het nest van groene dekens zit tegen de hoge muur die in eindigt in een punt. Als ze daar zit in haar ijskoude kamer dan denkt ze: misschien is dit waarover het gaat. Verlangen dat een obsessie wordt. De behoefte aan kalmte of de angst om gek te worden en hoe glibberig en griezelig dat voelde. Dat ging zo.

De drukste maand. De drukte in en om haar heen. De dozen met de boeken die werden gebracht door de vriendelijke chauffeur die ze koffie gaf, hij was heel vroeg begonnen. De boeken die maar bleven komen er kwam geen einde aan het stond tot in de keuken. De angst en ook het verlangen, dat ligt soms dicht bij elkaar, eronder te verdwijnen. Dat niemand haar zou zien ze wilde niet gezien het ging maar door de dozen nog meer boeken elke dag en wekenlang.

En dan de mensen. Niet alleen de boeken maar de mensen met hun wensen en hun vragen waardoor de winkel werd gevuld en alle zuurstof opgebruikt en er niets overbleef voor haar.

Het was heel koud de wind kwam uit het oosten vlak voor Kerst en toch de deur moest open blijven. Ze holde naar de deur de hele tijd de glazen deur de koude die van buiten kwam het werd heel koud, ze raakte in paniek als er geen lucht geen zuurstof was. Paniek omdat ze dan zo zonder opening naar buiten, dat ze in stukjes uit elkaar, geen antwoord op de vragen, uiteen te vallen op de grond in kleine deeltjes.

En er is niemand die iets ziet of merkt er is niks geks aan haar te zien.

Haar handen vouwen het papier in rood en groen en goud ze glimlacht voor zich uit. Ze vouwen het papier dat gaat vanzelf dat kan ze zonder te bekijken wat ze doet. Ze kijkt naar buiten naar de huizen aan de overkant de daken en de lucht en wat daarachter is. Het wijde blauw hoe hoog en eindeloos, het strekt zich uit waar niemand komt en in haar hoofd waar niemand komt. En hoe het licht over de daken strijkt het glijdt erlangs de kleur verandert. Van blauw en naar oranje en weer terug totdat het donker wordt dat gaat heel snel in deze tijd de wintertijd zo vlak voor kerst.

En terwijl ze de zorgvuldig uitgekozen pakjes feestelijk had ingepakt in mooi papier ging het intussen in haar hoofd, de witte flitsen heen en weer de kerstverlichting bij de buren aan de overkant. De lichtjes – ze knipperen hysterisch dag en nacht het houdt nooit op de flitsen in haar hoofd het houdt nooit op als ze daar staat.

En er is niemand die het ziet of merkt haar handen doen hun werk.

Het enige wat helpt is om te kijken naar het licht het schaarse licht en ook om niet te praten. De woorden – ze opsparen voor later. Het hoofd wil weg, haar nest heel hoog in huis daar is het ook ijskoud maar in haar nest liggen de warme groene dekens. Tegen de witte muur en waar het eindigt in een punt.

Het einde van het jaar en dat het kalm en donker is en dat de lichtjes doven, godzijdank ze zijn gestopt het batterijtje – het is uitgeput en opgeraakt na al die tijd.

En dat er niemand was en is geweest die iets gezien heeft of gemerkt. Een winterslaap de dingen laten rusten in het nest. Een winterslaap – geen woorden en geen zinnen slechts één punt.

Wat aarzelend begonnen was – is nu niet meer te stoppen

De deur uitgaan om zomaar wat te lopen, je mee te laten voeren in de stroom. Het is windstil een wandeling voldoet om los te raken en het vaag te houden, zodat het alle kanten uit kan gaan voordat er iets ontstaat. Voordat het vastgelegd en vastgepind is in een document. De thema’s die ontstaan tijdens het maken, ze zijn nog niet vooraf bepaald. Het vaag te houden tot ze terugkeert; de concreetheid die er heerst in huis.

Nog in pyjama. Een vrouw zonder make-up, de losse grijze haren, de jas over een wollen vest wat maakt het uit terwijl ze loopt. Er komt iets in beweging. Mijn god het is er weer. En hardop lachend gaat ze over straat, de hoek om door het park, nog in pyjama met verwilderd haar ze lijkt wel gek. Zo lachend en dat iedereen het hoort maar niemand kijkt het maakt niet uit ze is niet gek maar opgetogen want het is er weer. Ongeremd en vrij te kunnen schrijven na dit alles. De tour de force het tot een eind te brengen, en het is gelukt. Ze heeft het afgeschud en nu weer door.

En de jonge vrouwen die de The New Yorker lezen – zij weten het precies. Wat er speelt en hoe een tekst eruit moet zien. Het thema was bedacht en dat je daarmee aan de slag moet gaan en hoe een tekst. De jonge redacteuren, de haren slordig maar doordacht omhoog gestoken, met hun slappe tote bag zelfverzekerd door de wereld gaan en hoe het werkt. Zij weten hoe dit alles werkt.

Maar zij weten niet. Hoe telkens taal te geven aan wat er werkelijk gebeurt. Een strijdtoneel dat soms een slagveld wordt. Want boos, echt boos en woedend razend tierend door het huis te gaan dat mag je niet als moeder niet de hele tijd. Proberen kalm te blijven, de vrouw blijft kalm wanneer ze loopt.

En lopend schrijft ze steeds een woord zodat ze aan het eind een hele zin geschreven heeft. Als ze loopt en hink-stap-sprong zo wordt de tekst een hink een stap een sprong, en toch heel vloeiend het wordt zacht al lopend kan ze meebewegen voortbewegen in de stroom als ze geen weerstand voelt. De wind het is heel zacht ze voelt geen weerstand en haar lichaam – het is zacht.

En soms vraagt ze zich af of het wel geoorloofd is. De ruimte die ze vraagt en vult met haar geschrijf, de teksten die ze hink-stap-sprong verspreidt.

Maar dan denkt ze als ze stevig door de bladeren stapt het blad dat knispert als papier. De vulpen en de groene inkt het wacht op haar dan denkt ze nee! Dan wil ze van de daken schreeuwen brullen krijsen zodat iedereen het hoort. Dat dit geen luxe is oh nee dat niet, het is noodzakelijk voor haar voor iedereen. Iets in de wereld zetten ook als niemand leest of luistert – daarover gaat dit verhaal. Wat aarzelend begonnen was – het is niet meer te stoppen. Het vult de hele ruimte als een zon op deze grijze dag, een klein geel balletje dat bijna knapt en stralend opengaat – als ze daar loopt en voelt hoe het in haar, hoe het gegroeid is en haar vult. Ze lacht een glimlach niemand die het ziet ze loopt alleen, een lach in haar ze is niet gek, oh nee.