Het bed afhalen in één groot gebaar

Het bed afhalen in één groot gebaar: onderlaken en molton, het dekbed belandt op de vloer. En het matras eronder draagt de sporen van een vrouwenleven. Een eerste ongesteldheid, onverwacht in de nacht. Een vrijpartij, voor het eerst een mannenlijf in je bed. En: hoe de vliezen braken, plotseling, ook daarvan weet je niet wanneer het komt. Hoe de krampen heviger werden en toen plots al het vocht naar buiten gulpte. Al die momenten van vochtigheid trekken in een flits voorbij.

En nu was het toch weer gebeurd, al ben je na vijfendertig jaar ervaren op dit punt. In de ochtend staarden twee rode ogen je aan. Alles in één grote kluwen in de wasmachine gepropt, wasmiddel in het bakje, op 60°C anders gaat het er niet uit.

Hoe je als vrouw al dit ongemak het hoofd moet bieden maakt je soms razend. Wanneer je bijvoorbeeld in de eerste klas coupé zit, met nog één andere reiziger, een nette meneer met een koptelefoon. Je hebt je hier teruggetrokken omdat de huisarts zo belt. Dat kon niet anders, je móet haar spreken. En de man heeft geen idee, hij zit te werken met zijn laptop op schoot, hij heeft werkelijk geen idee. Het ongemak, de viezigheid, de schaamte – ook al wil je dat niet, het gebeurt evengoed. Terwijl: misschien kijkt hij intussen wel porno – je weet het niet, hij weet ook niets van jou.

Wanneer het huis leeg is, als iedereen vertrokken is na het ontbijt, de badkamer poetsen. Daar waar het vies en glibberig is, in de hoekjes, langs de randen. Het drupt er en wordt smerig, en het stinkt. De smerigheid te lijf gaan met een harde borstel van varkenshaar en schuurmiddel – het heet nu Cif, in je hoofd blijft het altijd Jif. Het putje van de douche, de gaatjes zitten verstopt, het water loopt niet goed door, zeepresten en haar en wat al niet. De zwarte randen. Stukjes lichaam hebben zich vastgezet; de afvoer raakt ermee verstopt.

Dit moest gebeuren, en het is gedaan. De emmer met het vieze sop is weggespoeld, nu kun je gaan.

Er staat een glanzend wit bad in de ruimte, een ligbad van porselein. Zo’n chique variant als in reclamefolders voor nieuw sanitair. Een oude boerderij met een mooie houten vloer en een ligbad. Iemand heeft het schoongemaakt; dat is ongetwijfeld de vrouw, het zijn altijd de vrouwen. Op de rand hangen handdoeken, twee grote en twee kleine.
Eerst zat je buiten in de schemering met een sigaar, de whiskey was verwarmend en zoet en het was heel koud, je werd langzaam heel koud. En dan je koude lichaam langzaam in het hete water laten zakken. Het is zo heet dat je huid bijna verbrandt, je hele lijf wordt rood. Je borsten verdwijnen in het water, je sluit je ogen. Heet water, een schoon bad dat glanst.
En daarna lig je naakt, diagonaal – altijd diagonaal – op het vreemde dekbed. Het is lichtblauw, een print van de amandelbloesem die Vincent van Gogh in 1890 in de Provence schilderde. Het schilderij is prachtig, dat hangt in Amsterdam, maar het dekbed dat hier in het oosten van het land op het bed ligt is pure kitsch – en dat is niet erg. Want de vloer is van hout, en de meubels zijn smaakvol en het uitzicht is prachtig. En het is stil, zo stil als het thuis nooit is. Alleen de vogels buiten en het ruisen van de radiatoren in dit huis.

De volgende ochtend zijn de velden bevroren, en dampt je adem wit als je in alle vroegte je koffie drinkt. En dan zie je de vieze rand in het witte bad. Het bad was heel schoon, de hele ruimte was schoon, geen zwarte randen of stof in hoekjes. Nu zijn er de resten van een lichaam, de vettigheid en viezigheid. Je ziet het en laat het, hier hoef jij niets te doen; je bent te gast. Je haalt het bed af, het blauwe textiel valt ook hier op de grond. Het onderlaken is nog schoon, natuurlijk is het schoon, na slechts twee nachten. En ook dat hoef je niet te doen, hier hoef je niet te wassen. De deur dichttrekken en het vuil laten.

Je lacht haar toe, even is zij daar

Naar het ziekenhuis fietsen op een vroege donderdagochtend in november. Je fiets vastmaken, je naam zeggen – plots weet je je eigen geboortedatum niet meer, je lacht ongemakkelijk. Je denkt dat je zo vroeg de eerste zult zijn, maar in de wachtkamer zit al een heel grote jonge vrouw, die nauwelijks in het kuipstoeltje past, haar vriendin staat erbij, met haar rug naar je toe.
Geen tijd om uit het raam te staren, je bent al aan de beurt. Je uitkleden in een klein kamertje met een heel grote print van een plant op de muur. Halfnaakt voor de spiegel staan. Je verontschuldigt je omdat je zweet, je ruikt het niet, maar voelt het des te meer. Natuurlijk zweet je, iedereen zou zweten. Je houdt je dochters voor dat niet te doen, niet steeds sorry zeggen, nu doe je het zelf.

In een specifieke houding tegen een apparaat gedrukt staan. En dan zo dat eerst de ene en dan de andere borst pijnlijk geplet wordt. Het heel zachte weefsel, dat wat meestal verborgen blijft en waar bijna niemand aan zit, dat van jou is. Het duurt maar even, je blik dwaalt af, weer zo’n heel grote onscherpe foto, groen en paars, het is klaver zie je nu. Dan is het gedaan, in de hoek zie je je eigen borsten in zwart wit op een scherm.

Wachten op de arts in een lege kamer in een ziekenhuis heel vroeg in de ochtend. Op een smal bed liggen, dat met een pedaal omhoog en omlaag kan. Aan de rechterkant staat een kruk, en op een kleine tafel die kan draaien een monitor. Half naakt, je borsten zijn naakt, het nieuwe wollen hemdje waarin je ze hult is in de kleedkamer achtergebleven. Een van de verpleegkundigen heeft ze in een haast liefdevol gebaar, met een zachte handdoek toegedekt. Evengoed zijn ze koud, je voelt kippenvel, ze zijn gekrompen.

Je denkt aan haar, die je alleen van foto’s kent en vraagt je af of zíj bang was. Of ze wist dat het mis was, in het begin, toen het misschien nog niet duidelijk was. Het is zo lang geleden, wat wisten ze er toen van? Begon het bij haar met pijn, was dat de reden dat ze naar een arts ging? Later hoor je: pijn is geen indicatie, er is juist geen pijn als het heel erg is. Hoe lag ze erbij toen ze eenmaal, en toen was het al veel te laat, op de onderzoekstafel lag. Een vrouw in de bloei van haar leven, met drie jonge kinderen, het jongetje nog geen vijf. Een krachtige vrouw, ze was lang, een stuk langer dan haar echtgenoot. Op hun trouwfoto torent zij statig boven hem uit.
Wanneer heeft de angst bezit van haar genomen? Te weten dat je niet meer beter wordt, je kinderen niet zult zien opgroeien. En toen de gewichtige mannen aan haar bed verschenen, die haar niet meer gerust konden stellen. Was er toen van deze krachtige, rijzige vrouw met het weerbarstige haar nog iets over?

De radioloog die de echo maakt is een jonge kundige vrouw, met zachte handen. Ze ziet het meteen, er is niets aan de hand, ze stelt je gerust: dat het niet erg is dat je kwam. Beter een keer te veel, dan een keer te weinig gekeken. En mocht er iets veranderen, of voel je iets geks, ga dan gerust weer naar de huisarts. Echt doen hoor!

In de wachtkamer stuur je je moeder een sms; nog in gedachten loop je door de draaideur naar buiten. Wanneer je opkijkt zie je jezelf gespiegeld in een grote ruit. Je bent steeds vaker ouder dan het beeld dat je van jezelf hebt, je schrikt ervan. Nu lijkt het alsof er nog iets anders zichtbaar wordt in de spiegel van het raam in de ochtendschemering. Zij werd nooit ouder dan achtendertig jaar, haar aanwezigheid is gestold in de tijd. Maar nu gaat achter deze spiegeling van de kleindochter een ander beeld schuil, ze ís nog altijd aanwezig. En even voel je iets van wat ze heeft doorgegeven, de keten stopt niet, ook al sterft iemand te vroeg. Je lacht haar toe, even is zij daar.

Alles kun je verdragen, maar dit niet

Witte nevels boven het voetbalveld. Het gras is nat, overal zie je kleine spinnenwebjes als de hangmat van een kabouter. De mist in je hoofd trekt eindelijk op. Het lukt om een hele zin te denken en op te schrijven. Flarden vinden hun weg weer naar kleine papiertjes en naar het gele opschrijfboekje dat je altijd bij je draagt. Ook deze vroege ochtend in de kantine van de voetbalclub.

Rode lampen van kunststof aan het plafond, in de kale ruimte. Aluminium werkbanken die schoon zijn. Het koffieapparaat dat bonen maalt, en met een slang aan een pak melk wordt bevestigd. Energiedrankjes in verschillende soorten, in felgekleurde plastic flesjes – dat smaakt toch allemaal even smerig, denk je, terwijl je de voorraad aanvult in het kleine koelkastje onder de bar.
Een jongetje wil van zijn zakgeld een Mars kopen, hij heeft zijn pinpas in de aanslag. Hij draagt een bril, het is precies zo’n bril als je broertje veertig jaar geleden op zijn neus had, daar zijn nog foto’s van, ze werden door een officiële fotograaf gemaakt. Kort daarna verloor hij hem in de sneeuw, het ding kwam pas in het voorjaar verkreukeld tevoorschijn, hij droeg hem nooit meer, hij droeg nooit meer een bril. Dit kind haalt zijn pinpas langs het apparaat en verdwijnt door de deur naar buiten met zijn Mars.

Wat er ook is: een raam aan de achterkant, hoog bovenin; glas in lood zonder gekleurd glas, maar wel met van die kleine ruitjes, er staat een boom met geel blad, je staart uit het raam, je staart altijd uit het raam.

En je kunt alles verdragen: de tosti’s met kaas die op plastic lijkt, en ham van een roze blok geperst vlees met zenen, ze worden geserveerd in plastic bakjes met een vakje apart voor de ketchup; de koelkast waar schimmel in zit, die moet worden schoongemaakt, je doet dat later; de kannen limonade voor in de rust, de siroop komt uit grote mat-witte jerrycans en is fluorescerend oranje, en mierzoet. En alles en alles.
Maar niet dit: dat er muziek schalt uit manshoge speakers met disco-verlichting, deze zaterdagochtend in alle vroegte. Non-descripte popmuziek baant zich vanaf de voorkant van je hoofd, net boven je schedel, een weg naar achteren. Iemand vindt dat het hoort, het staat te hard, je kunt het niet ontwijken. Het doet je denken aan iets anders: de feestverlichting van de buurvrouw, aan de andere kant van de afscheiding op het dakterras. Waar jij in de vroege ochtend de sterren wil zien en de stilte horen, schalt het gekleurde licht je net zo onontkoombaar tegemoet. Je wordt gedwongen om over het hek te klimmen en het knopje te zoeken waarmee je haar led-verlichting uitzet; zij ligt immers te slapen, waarom brandt het überhaupt.

Dan loop je naar buiten, het oudste kind speelt op veld drie in haar oranje tenue. In deze masculine wereld, waarin de mannen in het bestuur zitten en de vrouwen kantinedienst draaien, en er ook op de socials veel meer aandacht is voor de jongens dan voor de meiden – in deze wereld speelt het kind haar wedstrijd. En ze wint. Je loopt er naartoe, tussen de koffies en de thee en de limonade. In het hek rond het veld hangt bruin blad tussen de spijlen. Alsof een vogelverschrikker op lange benen het er in de nacht heeft ingegooid. Dan breekt de zon door, de mist is verdwenen.

Hoe de dag huilt – en hoe fijn dat is

Hoe je huilt omdat je niet kunt schrijven, de hele week niet. Een lichaam dat oud voelt en pijn doet, bewegen doet pijn, je smaak smaakt ziek; hete thee in je mond is vooral heet. Dat je stilletjes op de bank zit onder een deken en voor je uit staart. Een enkele zin op een papiertje dat later kwijtraakt.

Hoe je huilt om het kind dat zegt dat je onberekenbaar bent. Omdat je een uur voor de familie-reünie afzegt, en de week erop heb je corona en zeg je de verjaardag ook af. We kunnen niet op je rekenen en je huilt de hele tijd. Een zieke moeder: dat is het ergste wat er is.

Hoe je toch boven de was ophangt, en dat dan Pergolesi klinkt op de radio. Je zong dat ooit zelf, tijdens een zangweek in de Provence. In de pauze studeerde je samen met een andere deelnemer de eerste drie delen van het Stabat Mater in. Het was ontzettend heet, jullie zaten samen over de bladmuziek gebogen. In de schaduw van het oude landhuis, de rug naar de muur van grote ongelijke stenen die koel aanvoelden.

Hoe de dag huilt, en hoe fijn dat is. Je kijkt naar buiten door het keukenraam, de kamperfoelie heeft zich om het dode hout van de druif gekruld. Druppels bungelen aan blad dat nog groen is. Grijze huilende dagen, geen onverbiddelijk schel zonlicht dat geel en rood blad doet oplichten, en dat naar buiten dwingt. Winterthee drinken op de bank en een kaars branden.

Hoe je je tanden zet in een stuk versgebakken brood. Eerst het deeg twintig minuten kneden, daarna drie keer laten rijzen en tussendoor nog weer kneden. Jij bent daar te lui voor, je houdt meer van Irish soda bread dat hoeft überhaupt niet te rijzen. Maar het jongste kind maakt dit brood graag, nadien voelt ze de spieren in haar armen branden. Wanneer het uit de oven komt, in de dikke plak bijten, de heel knapperige korst, hoe de boter erop smelt, gezouten boter – dat smaakt het beste, het smaakt weer! Met blote voeten op de koude keukenvloer staan, in je hand de plak brood. Hoe je dan.

Hoe je met het jongste kind op de oude roze bank zit en samen een Amerikaanse film kijkt.* Je huilt wanneer Julie Powell na een lange saaie werkdag op een kantoor, uit arren moede een chocoladetaart bakt voor haar vriend. Hoe ze in één beweging de kom uitschraapt met een pannenlikker en daarbij voor het eerst die dag verrukt kijkt. Hoe ze vervolgens zegt: I can write a blog, I have thoughts! En wanneer Meryl Streep een berg uien snijdt na haar eerste lesdag op Le cordon bleu. Meryl Streep sowieso, hoe ze het accent van Julia Child imiteert; hoe ze háár imiteert. Hoe ze op het einde van de film een contract bij uitgeverij Alfred A. Knopf in de wacht sleept als auteur van het eerste Franse kookboek voor Amerikaanse huisvrouwen zonder kok.

Hoe je, wanneer je er eindelijk wél toe komt je laptop tevoorschijn te halen en meer dan één zin neer te schrijven, wanneer je de boel de boel laat zoals een bevriende schrijver adviseert, en wanneer je op zolder de deur achter je dichttrekt en aan het werk gaat – hoe dan een verdieping lager de heldere zangstem van het oudste kind klinkt. Zij hoort niet goed, maar ze zingt heel zuiver. En dan en dan.

Hoe je aan het einde van de week, overdag, tussen schone lakens. De lakens zijn koud, je houdt je sokken aan, mooie wollen sokken met witte figuurtjes tegen een grijze achtergrond. Midden op de dag, buiten klinken stemmen, de ramen staan open, het is een zonnige dag, maar koud; samen weggekropen tussen de lakens. Hoe je dan, na afloop, het was zo lang geleden.

En hoe je voor het eerst sinds een week weer naar buiten gaat, naar de stad fietst. Langzaam fietsen, hij duwt je voort. Luisteren naar ijle vrouwenstemmen die loepzuiver zingen, heel helder en zonder vibrato. Hoe je dan, je houdt zijn hand vast en geeft een kneepje. Je sluit je ogen en vanbinnen huil je, met diepe uithalen en niemand die het hoort.

* Julie & Julia (2009), Nora Ephron

Een zelfportret

Een hotelkamer op de vierde verdieping in een buitenwijk. De kamer is wit en leeg, en de lakens zijn wit, en de handdoeken zijn zacht en wit en hangen netjes aan een stang boven de verwarming, als je ze gebruikt na het douchen voelen ze behaaglijk aan. De ruimte is functioneel ingericht, de eigen ordening wordt niet verstoord. Met de ICE 144 van de ene hoofdstad naar de andere gegaan; een rode koffer en de blauwe rugtas in een witte kamer.

Hoe je vroeg in de ochtend vanzelf wakker wordt. De gele bomen beneden, de hoge huizen aan de overkant. Hoge huizen, een verlaten speeltuintje, graffiti op de muur, een heldere hemel. Wakker worden in de witte kamer, de schemering lost langzaam op. Kraakheldere friskoude lucht inademen bij het open raam. Yoga-oefeningen doen naast het bed zonder matje; de vloer is heel schoon, alles is schoon.

Voor het ontbijt stift je je lippen. Deze dagen gil of huil je niet, je haar zit altijd goed. Je denkt aan de zelfportretten van de fotograaf die je zag in één van de winkels. De vrouw stierf anoniem, ze werkte als kindermeisje en maakte foto’s waar ze ging. Haar zelfportretten zijn uitzonderlijk goed, ze werden vijftig jaar geleden met een analoge camera geschoten en hangen nu in musea over de hele wereld.*

In de avond probeer je ook een zelfportret te maken met je mobiel. In de kleine kale badkamer, waar de ventilator direct begint te loeien, ook als de douche níet aangaat; het geluid houdt eindeloos aan. In het kale licht staat een vrouw in haar ondergoed voor de spiegel. De borsten hangen, de billen zijn slap, een groot litteken loopt dwars over haar buik. Maar de rug is recht, de blik krachtig. Haar ogen stralen. Later wis je alle foto’s. Alles is vluchtig, ook het beeld dat je van jezelf hebt.

De gele bomen op de stoep voor het hotel strekken hun stevige armen en laten hun vruchten los, de donkerbuine schatten vallen pok pok pok op de grond, ze rollen weg onder auto’s. Je gaat op je buik liggen om ze te pakken en laat een handvol in de zak van je blauwe vest glijden, voor thuis, voor daarna, om spinnenwebben mee te maken en die voor het raam te hangen net als vroeger.

Hier staan onder gele bomen, wachten in de vroege zon die net over de hoge huizen kruipt, wachten en het gezicht naar de warmte wenden, de ogen gesloten en dan pok pok pok daar vallen de glimmende kastanjes. Gele bomen, een moeder brengt haar kinderen naar school, aan elke arm een mandje met appels erin. Hoge huizen met diepe tuinen tot de straat, verkleurend blad, rozenbottels, mandjes met appels, graffiti op een muur.

* Vivian Maier (1926-2009)

De zinnen razen door je heen

In de ochtend bak je muffins voor de verjaardag van het jongste kind. Het zijn hartige muffins, er zit geraspte wortel in. Eerder heb je slingers opgehangen, de cadeautjes zijn verzorgd. Ze krijgt een horloge, een heel zachte, lavendelkleurige badhanddoek, en een boek. Het kind heeft zelf de taarten gekozen en gebakken. Nadien scheer jij je benen, je oksels, en je trekt een gezellige jurk aan voor de visite komt. Je hebt je haar gewassen en gekapt; voor de spiegel in de gang je lippen gestift.

En in de vroege ochtend, vóór dit alles, lees je een schrijver die rücksichtslos schrijft; en ze schrijft over alles*. Zij heeft taal gegeven aan hoe het vrouw-zijn begint: aan de kleur van het bloed. Ze zoekt een lippenstift in die kleur. Zij schrijft daar over, het is aanwezig, en zij schrijft erover.

Haar lezen is in een hypnotiserende stroom terechtkomen. Het beeld dat je van jezelf hebt, dat anderen hebben, is steeds anders, het verschilt per dag, per situatie. Het zijn de boeken die je leest. De mensen die je ontmoet. En alles is al gezegd en geschreven en toch gebeurt het steeds opnieuw.

Er zijn nog steeds dagen dat je denkt dat je niet geschikt bent voor het moederschap, en ook niet om samen te leven – met wie dan ook. Er zijn dagen dat je het liefst zou verdwijnen in dit boek, of in een ander boek – in een ander leven.

En overdag gaat het bijvoorbeeld over plastic tasjes. Ze waren op, er moesten nieuwe komen uit Amsterdam. Verschillende mensen kwamen er naar vragen: ze zijn zo lekker stevig, ze gaan eindeloos mee! Eén vrouw komt elke week, ze heeft indianenkleuren op haar gezicht, ze wil er steeds drie; haar hele huis is intussen behangen met de wit-rode tasjes. U had dat gisteren niet gezegd, dat ze uit Amsterdam moesten komen! De vrouw met de indianenkleuren op haar gezicht koopt nu alleen een Volkskrant. En iemand anders liet een tasje zien van een boekhandel in Londen, met in prachtige groene letters de naam van de winkel erop geprint; hij had het speciaal meegenomen. Een tas van aardappelzetmeel, hij was al enigszins verfrommeld, maar de letters waren nog goed zichtbaar.

De zinnen van de vroege ochtend razen de hele dag door je heen. (Als je zelf schrijft, kun je beter geen fictie lezen, zei de man van het tasje van aardappelzetmeel. Hij is uitgever, hij kan het weten.) En in de avond lig je op het gebloemde overtrek op zolder, met een geel potlood (niet blauw, niet groen maar geel!) en een pak geruit papier dat bij de kringloop vandaan komt, waar je zo lekker op schrijft met 2B.

De zinnen die je hebt opgespaard deze dag, tussen alle tasjes en boeken en mensen door. Terwijl ze beneden denken dat je de was ophangt, worden ze neergeschreven op het geruite papier. Je probeert woorden te vinden voor hoe het eindigt, hoe het lichaam zich schrap zet. Diagonaal lig je, de voeten steken uit. Vieze voeten, in bezwete sokken, een onderbroek met een vlek. Dat gebeurt voortdurend, je raakt er bijna aan gewend, je draagt de hele zomer donkere kleding, zodat niemand het ziet; je wilt ook niet voortdurend een schaap tussen je benen. Douchen wilde je nog. Smerige oksels met stoppels, die overdag verborgen blijven. Het wordt al donker, en dan moet je gaan slapen, anders red je het niet, het vroege opstaan, boeken verkopen – de hypnotiserende stroom. Lezen en schrijven voor het donker wordt, het wordt hoe dan ook al donker. En dan is een hoofd op het kussen gezakt, de ogen dichtgevallen, bezweet en stinkend in slaap gegleden; razende zinnen zijn gehaast op geruit papier geschreven.

* Claire-Louise Bennett, Kassa 19 (Uitgeverij Koppernik, vert. Karina van Santen en Martine Vosmaer)

Oversteek

Telkens wanneer je naar de overkant van het water gaat met het pontje, een schrijfboek en het bruine etui in de Freitag-tas, wanneer je naar Amsterdam noord vaart, waar de schrijfjuf haar lesruimte heeft, dan staar je over het water, en denkt aan de Amerikaanse B-film die je zag. Een vrouw in New York volgt een schrijfcursus in een klaslokaal op Staten Island, elke week op dinsdagavond vaart ze er naartoe. Het was een slechte film, met een ongeloofwaardige plot, maar het beeld kwam je inspirerend voor. Je denkt daar telkens aan, wanneer je uitziet over het water en de oversteek maakt.

Je werkt heel hard twee dagen, je zit op een stoel en schrijft. Een verhaal verzínnen, dat doe je gewoonlijk niet. Met een kop en een staart, een personage, in verschillende scènes. Met een dialoog en een droom, en aan het einde is de protagonist anders dan hoe hij begon. Het is de reis van de held – zoals het hoort.
Normaal vindt het meeste plaats in de ruimte tussen hier en daar, tussen gisteren en vandaag. Je verwacht het niet en dan is het er: een beeld of een zin, dan moet je stoppen, het direct opschrijven anders is het verdwenen. Alle ervaringen zijn materiaal, je creëert geen personages, maar merkt ze wel op. Je brengt mensen en beelden en dingen bij elkaar, zodat ze een nieuw verband aangaan – zo gaat het altijd, zo ontstaat er steeds iets.

Maar nu ging het anders: na twee dagen schrijven een heus kort verhaal in je tas.

En na afloop vaar je terug, je kijkt weer naar het water, het licht dat er in de avond zo mooi op valt, de kleine golfjes, er is weinig wind. Hoge gebouwen aan de overkant, waar een heel nieuwe wereld is verrezen, een metropool zoals de vrouw in de slechte B-film ook zag.

En in de avond lig je diagonaal op het gebloemde dekbedovertrek en staart naar het plafond. Je was van plan naar de psychiater te kijken op tv, je had daar naar uitgezien, maar ziet op tegen de stortvloed aan betekenisvolle beelden. Je hoofd is nog gevuld met Ida, en de personages van de andere schrijvers die ontstonden, aan de tafel in de kleine lichte ruimte op het industrieterrein. Je wilde het niet, maar je bleek het wel te kunnen en nu is Ida daar en ze gaat niet meer weg. Iemand anders, op een andere plek, bij een andere gelegenheid zei: soms lukt het om zo dichtbij een personage te komen, dat je het personage wórdt, dan doet ze dingen die jij niet bedenkt – dat is het mooiste.

En de volgende ochtend, als heel vroeg de wekker weer gaat, is het nog donker, aan de randen gloort voorzichtig het licht. En je brandt een kaars en maakt koffie voor je je potlood slijpt. De ruimte is van jou, daar kun je altijd heen. Vóór de havermout en de wassen en heb je alles voor vandaag, poets je je tanden, fijne dag, oh fiets je nog even langs de apotheek. Voor dat alles maak je opnieuw de oversteek, in het onbestemde uur tussen nacht en dageraad vind jij je bestemming.

Pad

Hij zat midden op de weg, op het schelpenpaadje waar je elke week loopt. Een plat, bruin, glibberig diertje dat heel snel ademhaalde. Hij hijgde van schrik, jouw komst had hem gestoord. Nooit eerder zag je een pad. Wel kikkers natuurlijk, de groene variant, daar wemelt het van. Maar een pad, wat deed hij hier, was hij soms verdwaald?

Later – aan het ontbijt, met gekookte eieren, boter in een hartvormig schaaltje, rijprode tomaten op een bordje waar een hoekje vanaf is – vertel je over de ontmoeting met het beestje. Het oudste kind slaakt een enthousiaste kreet en holt direct naar zolder. Het boek valt bijna uit elkaar, de rug werd geplakt met grijs plakband, je borg het op in een doos voor later. Direct komt het terug: hoe we er samen uit lazen, hoe klein de meisjes toen waren. Korte verhalen, elk met één gedachte, zo grappig en vooral zo wijs.

Een dag daarna. Uitstappen uit de trein op een bloedheet verlaten station. De overgang tussen lichaam en lucht is nauwelijks voelbaar. Er is verder niemand, de wereld lijkt verlaten in de hitte. En dan hoor je dat geluid: een lage, donkere grom. Stilhouden om te luisteren als het nogmaals klinkt: de holle grauw, in wanhoop geuit. Verderop is een vijver, maar hier is het stoffig en droog, geen plek voor dit dier.
Na even zoeken zie je hem zitten; de kikker heeft naast het perron in de schaduw een heenkomen gezocht, zijn felgroene lijfje gaat vlug op en neer, en het voorwereldlijke geluid ontsnapt hem steeds sneller. Je hebt de neiging hem op te pakken en bij het water neer te zetten. Maar dan is hij alweer weggesprongen en zie je hem niet meer.

Op een dag is er maar ruimte voor één zin. Hoe je na een extreem hete nacht – je lag onder een laken, in een bed apart – nog vroeger bent opgestaan. De voordeur geopend om door te waaien, en overal staan spullen, de kampeervakantie nadert nu gauw. En die ene gedachte laat zich niet verjagen; de stilte, de leegte, nu kan het nog. Over hoe een pad en een kikker elkaar vonden aan de ontbijttafel; hoe ze pardoes neerstreken tussen de lege eierschillen en een beker met een restje thee.

Soms vraag je je af wat van waarde is in de vluchtige wereld – en wat er overblijft. Een paar dierbare spulletjes draag je een leven met je mee. Een ketting met vier kleine vogeltjes die van een tante was. Een oud blik uit een sigarenfabriek, je bewaart daarin je vullingen; in zwart en groen en blauw. En bovenal is het natuurlijk dit: de verhalen die we elkaar vertellen, voorlezen en voorleven – telkens weer.

* Alle verhalen van Kikker & Pad – Arnold Lobel (Ploegsma, 1979)

We weven een web van woorden zinnen beelden

Een vrouw is alleen thuis, haar man en kinderen zijn elders. Haar gedachten en handelingen worden niet onderbroken, zij kan hier beginnen en daar eindigen – precies hoe zij het wil. Zij drinkt een glas wijn. Ze leest de weekendkranten. Tegenwoordig kan ze nog maar één glas drinken, daarna raakt de blik vertroebeld, de geest in mist gehuld, dat doet ze alleen nog op feestjes, dat wil ze nu niet. Ze luistert naar de soundtrack van een Duitse film die ze kort geleden zag, waarin een vrouw, die precies zo oud is als zij, samenleeft met een robot. Pas wanneer die vrouw meer dan één glas wijn drinkt, veel meer, verzet zij zich tegen de algoritmes van de op een mens gelijkende computer. Ich bin dein Mensch. Het was een boeiende film, de muziek was prachtig, die luistert ze graag.
Later kijkt ze een documentaire op haar laptop over een bekende fotograaf.* Ze scheurde het stukje meer dan een half jaar geleden uit de krant, en nu heeft ze gelegenheid er daadwerkelijk naar te kijken. Ze hoeft niet eerst de afwas, de was en de kinderen te doen. Dat hoeft ze allemaal niet, ze kan gewoon gaan zitten, de afwas laten staan.

De fotograaf zegt: Ik denk nooit over dingen na van tevoren; die dingen ontstaan gewoon. Alles gebeurt bij mij per ongeluk. Zij denkt: deze man behoort tot de top van de Nederlandse fotografie; hij beheerst zijn gereedschap als geen ander, hij maakt de mooiste portretten. Dat gebeurt niet per ongeluk. Maar ze snapt wat hij zegt. Zinnen noteren die onderweg invallen. Je hoeft alleen maar te stoppen om ze op te schrijven. Dat is de kiem waaruit iets ontstaat, dat gebeurt per ongeluk.
Hij laat een boek zien van collega-fotografen die hem inspireren. Hij bewaart zijn eigen foto’s tussen de foto’s van anderen, ze horen bij elkaar. Hij toont een portret van Miró met zijn dochter Dolores. Het is een prachtig beeld waarin alles klopt: het licht, de houding van die twee mensen, hun blik. En hoe hij later ontdekte dat dit beeld, dat heel origineel overkwam, geïnspireerd was op een schilderij. Hoe dat dus werkt, beelden die zich aan je voordoen en waarmee je iets nieuws creëert. Hoe belangrijk inspiratie is.

De vrouw denkt eraan hoe ze diagonaal op haar bed ligt, op het gele overtrek dat zo mooi kleurt bij het omslag van het boek dat ze leest. Alle boeken die ze leest. De teksten van anderen die aanzetten tot nieuwe teksten. En ze denkt eraan hoe fotografie en schrijven in zekere zin op elkaar lijken. Dat dacht ze al eerder. Waar laat je het licht op schijnen, welke uitsnede maak je, wat is het perspectief?

Ruimte om iets te laten ontstaan en focus om daarbij te blijven – daar begint het mee. Dan kun je iets voelbaar of zichtbaar maken dat uitstijgt boven het alledaagse en tegelijkertijd daarin geworteld is. Wat kies je, welk beeld wil je bewaren voor later? We weven een web van woorden zinnen beelden. En soms lukt het, dan weet je, zie je, lees je, schrijf je: dit is goed, dit is gelukt.
De fotograaf weet het vaak meteen, als hij het juiste portret geschoten heeft. De vrouw moet een stap naar achteren doen; van een afstandje kunnen kijken naar wat ze gemaakt heeft. Zij opent de deur, buiten is het kil, ze heeft een lang blauw vest aan en drinkt koffie op het stoepje bij de keuken. En dan weet ze het ook.

* Het oog dat voelt – De portretten van Koos Breukel, geregisseerd door Lex Reitsma, in: Close up (2021)

Er was meer tijd

Houten tafels en banken in een binnentuin; de hoge oude huizen begrenzen het plaatsje waar de zon niet meer komt. Aan het begin van de avond is het fris, maar dat geeft niet, we hebben warme vesten over onze feestjurk aangetrokken. Binnen staan frisgroene salades en quiches uitgestald, schalen met brood en kaas, zilverkleurige bakken met ijs om de wijn koel te houden. En als dessert is er een taart in lagen: zoetzure confiture en gele room tussen cake, waarvan grote stukken gesneden zijn. In cirkels lopen we er omheen, we vullen onze borden.
Ik schuif aan bij een groepje meiden – of laat ik zeggen: jonge vrouwen, ze zijn begin twintig. Ze spreken achteloos en met veel flair over hun schreden in de literaire wereld. Een boekpresentatie waar ze gevraagd werd de wijn te schenken, en waar ze na afloop dronken werden met de auteur. Een stage bij een gerenommeerd tijdschrift; waarvoor ze een interview met een bekende Amerikaanse schrijver maakten. Niets houdt hen tegen, alles is mogelijk. Moeiteloos schakelen tussen studies en baantjes, en slecht betaalde stages – het maakt hen niet uit. Ze zijn gedreven en ambitieus; ze gaan er zonder aarzelen op af.

We drinken wijn. Eén van hen haalt de fles van binnen en schenkt vaak en veel bij. We bietsen sigaretten van een collega die wel nog rookt, ik rook voor de gelegenheid met hen mee.

Hoe dat in mijn tijd was, vragen ze, en ik denk eraan terug. Ik denk aan het huis, de studie, de vriendinnen. Dat ik één telefoon had, die in de hoek van de kamer stond. Wanneer die overging was het meestal mijn moeder, daar had ik niet altijd zin in, dan sprong het antwoordapparaat aan. En dat ik tussen het studeren door veel middagdutjes deed. In een houten twijfelaar die achter de boekenkast stond in de andere hoek van de kamer. Wij konden dat heel goed, slapen in de middag.

Er was tijd herinner ik mij; meer tijd dan ooit daarna, ik kon dagenlang lezen. Misschien was ik minder onverschrokken, misschien aarzelde ik: door de redactie van een blad werd ik gevraagd foto’s te maken, maar ik deed dat niet. Ik wilde mijn scriptie op tijd inleveren. Ik aarzelde. Het was hoe dan ook toen al nodig langdurig uit het raam te staren naar de roeiers die in de Amstel voorbij kwamen.

Zij lachen en schenken nog eens bij, waarschijnlijk hechten ze weinig waarde aan mijn woorden, en dat geeft niet. De energie, de sprankeling in hun ogen – het is prachtig om te zien. Ze zijn zelf ook prachtig om te zien: in hun zomerjurkjes, de lippen rood geverfd, het haar nog donker in de eigen kleur. Zo fris en nog niet aangeraakt, niet werkelijk, door het leven.

Na afloop loop ik naar de metro, een hele lange roltrap verdwijnt onder de grond. En de volgende ochtend is mijn hoofd zwaar van de wijn en vraag ik me af of zij, de jonge vrouwen die ik achterliet, of zij daar ook last van hebben. Huid raakt gerimpeld, handen worden oud en we hebben een bril nodig om te lezen. Intussen heeft het leven zich veelkantig aan ons voorgedaan, en zijn we zelf zo gelaagd als een taart waarbij zoet en zuur elkaar afwisselen.