Oranje soep, een wit tafelkleed en een gele doos

Het oudste kind maakte voor Aardrijkskunde een interview, het moest gaan over de cultuur van een ander land, wat er anders is dan hier. Zij had een gesprekje met een jonge operazangeres uit Hong Kong. Nadien merkte het kind op: er is daar helemaal geen cultuur, het gaat alleen maar om zo hard mogelijk werken, dat doet iedereen. Vroeger was Hong Kong een vissersdorp, en nu een metropool. De mensen wonen heel dicht op elkaar in hoge flats, en verder is er niets. Geen cultuur, en geen rituelen die houvast bieden.

Hieraan denk ik op de dag voor Kerst. Er branden lichtjes in de boom die feestelijk versierd is; kerstballads klinken uit de radio en de kinderen spelen Risk met een vriendinnetje. Ik kocht bittere sinaasappels op de markt, die zijn hier maar kort verkrijgbaar; elk jaar ben ik verheugd als ik ze zie. De truc is de vruchten zó lang te laten koken dat de schil helemaal zacht wordt, en je het vruchtvlees er gemakkelijk met een lepel uit kunt scheppen. De schillen vervolgens in reepjes snijden is een fijn meditatief klusje voor deze dag. Zijn de schillen eenmaal kleingesneden, dan doe je ze met de suiker opnieuw in de pan en kookt ze tot het gaat geleren, en dan kun je de hete oranje soep in de schoongekookte potten gieten.

Na het ontbijt op de tweede kerstdag haal ik het tafellaken af om in de wasmachine te doen. In plaats van de stoffen kleedjes die we de rest van het jaar onder onze borden leggen bij wijze van placemats, gebruiken we met Kerst dit witte kleed. Een van de rituelen die het kerstfeest omringen is het strijken van dit kleed aan de vooravond. Het is in een bepaald patroon geweven dat ze damast noemen, maar het is gewoon van katoen. Sommige spullen neem je van huis mee, andere schaf je zelf aan, en niet altijd op de meest prozaïsche plekken, dit kleed kocht ik jaren geleden bij Albert Heijn. Voor ik het bij elkaar vouw om naar boven te brengen, sprenkel ik bleekmiddel op de vlekken; sporen in rood en geel en bruin die twee kerstdiners erop achterlieten. Die gaan er in de was niet zomaar uit.

En op de eerste dag van het nieuwe jaar, word ik wakker op een boot. De nacht was uitbundig zoals deze nachten horen te zijn. Met buiten een klein vuurtje; champagne en met zalm gevulde eieren. En toen het illegale vuurwerk de lucht in werd geschoten, en toen we met elkaar in verrukking naar alle kleuren boven het water hadden gekeken, toen dansten we zoals we alleen hier en nu konden dansen. Met puberkinderen die verbaasd toekeken vanaf de petrol-kleurige bank met veel kussens, en dat kon ons niet schelen, want wij wilden dit: schaamteloos het jaar uitdansen, het nieuwe jaar tegemoet. En ook hier word ik ’s ochtends heel vroeg wakker, met een hoofd nog wazig van de drank. In de blauwe schemering kan ik de slaap niet meer vatten en denk aan mijn eigen rituelen in alle vroegte telkens weer, en aan doorgaan wat ik ben begonnen.

In de middag gaan we met de bus naar huis. Iedereen is moe, we staren slaperig uit het raam. Eenmaal thuis nestelt het jongste kind zich op onze eigen bank; die roze is en oud, en die in het midden doorzakt. En ik ga doen wat ik het liefst doe op deze dag: de boom ontmantelen – die heeft nu alle glans verloren. Nog een keer laat ik de spulletjes door mijn handen gaan, het zijn stuk voor stuk fragiele figuurtjes die ik zorgvuldig in vloeipapier verpak. De piek is van zilvergekleurd glas in een klassieke vorm. Ik kocht hem bij de Bijenkorf, toen de meisjes nog klein waren; het was vlak voor Sinterklaas, en het warenhuis was feestelijk opgetuigd – zij keken hun ogen uit. De rood-wit gestreepte zuurstokken bracht een oppas mee, ze zitten in plastic en kunnen nog jaren mee. Eén klein klokje, van heel dun doorschijnend glas hangt aan een zilveren draad aan de onderste tak, dat is van vroeger, van de kerstboom thuis. En de kleine glazen pegels, in roze, geel en groen, kregen we opgestuurd na de geboorte van het oudste kind; er werd toen een pakket uit Duitsland bezorgd, dat kwam van mijn tante uit het Zwarte Woud. Elk voorwerp vertelt zijn eigen verhaal; oude verhalen, en de verhalen die nog komen. Er hoeft geen verband te zijn, maar samen vormen ze een geheel. Ik stop alles in de gele kartonnen doos met het handschrift van mijn tante erop, en breng die naar zolder.

Vrouwen in het rood

Het gelaagde personage achtervolgt mij deze dagen, die ik niet thuis doorbreng. Ik reis met de trein naar het oosten en heb allerlei tassen bij mij, die gevuld zijn met boeken en kleren en eten. De trein van Deutsche Bahn brengt mij naar mijn bestemming; een reis naar de provincie met internationale allure. Onderweg lees ik in de dikke weekendkrant een interview met een vrouw die ervoor pleit dat Nederlandse vrouwen meer zouden moeten werken. Economische onafhankelijkheid is heel belangrijk. Naast het artikel een foto van haar in een knalrood broekpak. Als een rood stoplicht. Alsof zij wil zeggen: Ho, stop, zo kan het niet langer.
De trein passeert verschillende stations zonder stil te houden, en ik staar uit het raam de duisternis in. Mijn moeder was veel thuis, ik ben ook veel thuis. Wat betekent dat voor de toekomst van mijn dochters? Zadel ik hen ergens mee op?

Op het station van de provinciestad wacht mijn vriendin. Zij heeft haar rijbewijs gehaald, wat niet gemakkelijk was. Nu rijdt zij mij in haar elektrische auto moeiteloos over stille wegen, langs kale velden, door heel donker bos, tot aan de zessprong waar haar huis staat. In de kleine boomgaard achter het huis brandt in het gastenverblijf al een lichtje. Ik nam voor haar een stapeltje boeken mee met een geel touwtje eromheen, en een rogge-rozijnenbroodje. Maar de dankbaarheid voor haar uitnodiging, die mij gelegenheid biedt uit de chaos van het gezinsleven te stappen, is niet uit te drukken in wat dan ook – en dat weet zij.

Later zitten we bij het vuur in dikke vesten; boven ons een wijdse hemel met sterren, in de hand een glas rode wijn en een sigaar. Het zijn sjieke sigaren uit een echte sigarenwinkel, niet de dunne die ik van mijn moeder altijd krijg en die zij bij de supermarkt koopt. Wij verheugen ons in elkaars aanwezigheid, en delen onze verhalen. Over de rafelranden van het leven. Dat wat niet zo gaat als gedacht of gehoopt. Het moet niet te mooi worden allemaal. Gepolijst, dat wel, maar ook hier en daar lelijk. Bloed is helemaal niet erg.

In het gastenverblijf, dat nu dienst doet als schrijfhuisje, probeer ik mijn verhalen samen te brengen tot een geheel. Ongestoord te kunnen werken klinkt aantrekkelijk als je er van een afstandje verlangend naar kijkt. Maar in de praktijk wordt hier evengoed – net als thuis – een hoop tijd verlummeld. En ook hier worden de gedachten toch gemakkelijker op losse blaadjes geschreven, binnen de kortste keren ligt de ovalen witte tafel ermee vol. De luxe bestaat eruit dat ze gewoon kunnen blijven liggen, dat niemand er last van heeft, dat je een uur aan de rood-paarse babysokjes breit, en het schrijftafereel daarna precies zo aantreft.
Tussendoor lees ik een boek met een rood omslag. Het is het derde deel van een autobiografisch drieluik. De gedachten van de schrijfster gaan alle kanten uit. Over de huizen waarin we leven, wat er overblijft van het gezinshuis als je gescheiden bent en je dochters de deur uitgaan. Over waarom vrouwen in filmrollen meestal zo vlak zijn, waar mannen een keur aan onhebbelijkheden krijgen toebedeeld, en toch sympathiek blijven. Willen we als vrouw een gelaagd personage worden, dan moeten we onze schaamte naar boven halen; dat wat vies en misplaatst is laten zien. Hoe ik – tijdens een uitje met de klas van het jongste kind – door een andere moeder betrapt werd op de wc. Ik had de deur niet op slot gedaan. Zij trof mij, met mijn spijkerbroek op m’n enkels, de witte dijen op de wc-bril, kijkend op mijn telefoon. Wat was er in godsnaam zo belangrijk om op dit moment te bekijken? Maakt dit voorval mij gelaagd?

De maandag erna veeg ik in mijn eigen woonkamer het stof weer van de vensterbank. Het oudste kind heeft een allergie voor stof; dit moet gewoon gebeuren, het is een van de constanten in mijn leven, en niemand anders doet het. Het bevreemdt me dat ik nu nog steeds het gevoel heb dat de Vrouw in het Rood over mijn schouders meekijkt. Het jongste kind zei aan het ontbijt: Mama, ik denk dat er in jou heel veel kaboutertjes passen, maar jij bént geen kabouter. En zo is het.

Wanneer ik de dag erna in alle vroegte naar de boekhandel fiets, is de vrouw eindelijk verdwenen. Er staat een kerstboom in de etalage, daar moeten nog lichtjes in; eronder liggen de mooiste boeken van dit jaar. Langzaam wordt het licht. Als het weer donker is geworden, is mijn hoofd gevuld met de verhalen van anderen, eenmaal thuis buitelen de verhalen van thuis over elkaar heen. En de volgende ochtend is het helder en koud, en kan ik voor het eerst in weken onder de sterren mijn koffie drinken; de hemel heeft zich geopend. Dan werk ik aan mijn eigen lappendeken. Mijn verzameling kleine verhalen; woorden en zinnen die in kleine steekjes aan elkaar zijn geschreven. En daarna trek ik mijn rode wintertrui aan.

Het bleef bij woorden

Het bleef bij losse woorden dit keer, de zinnen verstopten zich. Zij voelt zich ontoereikend, geïntimideerd door anderen, die het wel lukt hele bladzijden te produceren. Pagina’s tekst, gevat in een glimmend omslag; de boeken liggen in stapels in de boekhandel. Mensen wachten geduldig in lange rijen, terwijl zij de cadeaus feestelijk inpakt in rood met gouden papier. Haar handen doen gedachteloos het werk, ze kan het met haar ogen dicht, het wordt heel mooi. Het zijn specifieke wensen, die wel of net niet op tijd in de winkel zijn, of zij raadt iets aan, er moet toch iets in de zak.
En thuis bruisen de meisjes van de ideeën en bereikt de opwinding een hoogtepunt – er is geen ruimte over. Haar gedachten worden in beslag genomen door wat aan wie te geven; wanneer het te kopen. Ze naait een speldenkussen voor het oudste kind. De stof heeft ze al maanden in huis, ze viel voor de felle kleuren en het grafische patroon. Samen met een doosje spelden met gekleurde knoppen en vier klosjes garen is dit een fijn cadeau. Ze bakt muffins waarin ze woorden verstopt. Vier woorden in cakejes met peperkoeksmaak, ze worden heerlijk het hele huis geurt ernaar. Welke woorden en voor wie, dat is tot het laatst een verrassing. En ze breekt zich het hoofd wat voor hém, de Zanger nog te kopen, en hoe daar nog een gedicht bij te schrijven.

De behoefte aan warmte en behaaglijkheid groeit met de dag. Zij fietst nog gauw even naar de winkel voor een stuk kaas, en verbaast zich erover dat midden op de dag de auto’s hun lichten aanhebben. Het blijft de hele dag donker, en het regent onophoudelijk. Soep trekken, lichtjes aansteken, iets warms te drinken en lekkers op tafel – daar gaat het nu om. De zinnen komen later weer. Vertrouwen op het geheimzinnige procédé: hoe ideeën en beelden hun weg naar buiten vinden en in zinnen op papier belanden.

De dag erna heeft het gesneeuwd; de eerste sneeuw van het jaar. De sensatie bij de aanblik van het dunne witte laagje op de daken aan de overkant is nergens mee te vergelijken. En de hemel strekt zich boven haar uit in alle diepdonkere wijdsheid. De sterren en de kleine maan laten zich eindelijk, al is het maar voor even, zien. Dit alles zorgt voor de helderheid die nodig is. En als ze beneden komt is het aanrecht opgeruimd en de tafel leeg, al het veel kleurige papier dat in slordige proppen op het vloerkleed lag is opgeruimd. Ze steekt een kaars aan en gaat zitten, ze pakt haar blauwe potlood. Later is de sneeuw gesmolten, maar dat geeft niet: iets van de lichtheid van de vroege ochtend, en de kinderlijke verrukking die zij heeft ervaren draagt ze de rest van de dag met zich mee.

Het is nooit zo november als vandaag

De lucht is grijs en onbestemd, al dagen zijn er geen sterren of maan te zien. Het troostrijke lijntje met boven lijkt doorgesneden, en alle tobberijen van de vroege ochtend ketsen terug. Water loopt in stroompjes langs het dakraam naar beneden, alsof er buiten iemand huilt. En de lucht is vochtig, al regent het niet. Er branden kaarsjes in glazen potjes, die beplakt zijn met vloeipapier; het licht schijnt er zo mooi door. Op de fruitschaal ligt rood en geel fruit; een tak met oranje lampionnen staat in de vaas op tafel.
Voor ze haar zinnen verzamelt, ze aaneenrijgt tot een dekentje van taal, veegt ze eerst de vloer er liggen broodkorsten onder de tafel; en het wasgoed, dat vormt een slinger op de trappen naar boven, ze raapt het op om zolder in de wasmand te doen. Dit alles en nog meer voor zij zich achter haar schrift kan zetten, het blauwe potlood slijpt. En dan nog eerst vijf minuten uit het raam staren en denken: ik moet de druif snoeien, het dorre hout eraf snijden nu het nog niet vriest, de stoep vegen zodat het blad niet steeds naar binnen waait, de deur gaat op een dag zó vaak open. de zomerjassen wassen en opbergen, die draagt nu echt niemand meer. Ze denkt aan hoe anders mensen zijn, aan hoe hij wegfietste, en wat hij beleefde.

Hij ging naar een huis aan het water, zo’n groot huis dat vrijstaat, je vraagt je af wie zich dat nog kunnen veroorloven. Dit huis is al decennia in bezit van een man, zijn ouders lieten het hem na, intussen is hij zelf ook heel oud. Hij deed er nooit iets aan, van binnen zijn de muren geel verkleurd, het is er niet opgeruimd of schoon. Maar in de woonkamer staan een paar klapstoeltjes en een versleten bank – en er staat een vleugel. Hier komen mensen naartoe om te luisteren. De tijd en de omstandigheden zijn mismoedig stemmend, maar hier wordt muziek gemaakt die de tijd ontstijgt. Dit gebeurt hier gewoon, deze schoonheid blijft godzijdank beschikbaar.
De Zanger fietst erheen en huilt stilletjes in zijn eentje als de jonge pianist begint te spelen. Hij huilt niet vaak, bijna nooit eigenlijk, en nu wordt hij hierdoor geraakt in het diepst van zijn wezen. En hij denkt aan hoe hij als kind, in net zo’n groot huis, met zijn moeder en zijn zus bovenaan de trap stond te luisteren. Naar precies deze muziek, die zijn vader avond aan avond liet klinken, De eerste ballade van Chopin is verschrikkelijk moeilijk. En deze jonge man, die hij nog nauwelijks kent, speelt het stuk hier op virtuoze wijze, in een groot groezelig huis, op deze avond in november. Het gaat zo vanzelf alsof er niet uren, jaren studie aan vooraf zijn gegaan. En hij is erbij en moet ervan huilen.

Wanneer hij haar de volgende ochtend vraagt wat zij doet vandaag, bekruipt haar een licht schuldgevoel. Een lege ochtend, die zich oningevuld uitstrekt, wie heeft dat nou? Echt leeg is de ochtend ook weer niet natuurlijk, dat is in feite nooit zo. En het is nodig, de ruimte in haar hoofd; het mijmeren houdt haar gezond. Het maakt dat ze in de middag weer de inbedding kan verzorgen, en hen van wie ze houdt werkelijk kan zien.

Turandot

De hele week regende het. Het laatste blad waaide van de bomen, en verwerd tot bruine pulp in de goten. En hij vertrok elke avond op de snelle fiets; de rode regenjas wapperde als een vlag achter hem aan. Hij fietste de straat uit en keek nog drie keer om. De tunnel waarin hij zich bevond werd steeds nauwer; thuis kwam hij alleen nog om te slapen.

En zij wachtte telkens in de deuropening tot hij om de hoek was verdwenen. Dan schonk zij zich een glas rode wijn in, en bakte pannenkoeken in de zware gietijzeren pan, voor haar en de meisjes. Ze rookte stiekem een sigaar bij de achterdeur, en staarde afwezig naar een enkel geel blad aan de druif die verdort. Ze dacht eraan hoe hij van de zomer, toen ze zo ver weg waren, in het eenzame huis op de berg – hoe hij toen was begonnen de teksten te leren. Hij schreef ze op kleine briefjes die hij bij zich droeg tijdens het hardlopen. Elke dag vier nieuwe zinnen. En toch was zijn grootste angst dat hij straks niets meer zou weten, dat het dan blanco zou zijn in zijn hoofd.

En dan mag het gezin eindelijk komen kijken naar wat al die tijd in het verborgene werd voorbereid. Ze zitten op het balkon, op de derde rij, dat zijn de beste plaatsen; het toneel en de boventiteling in dezelfde blikrichting. De moeder zit naast haar vader, daarnaast de meisjes en de andere oma, en hun tante, en een vriendin, en een moeder van een leerling. Ze zijn allemaal gekomen. De meisjes konden niet wachten, ze hebben dvd’s van andere uitvoeringen bekeken, ze kennen het complexe verhaal uit hun hoofd. Het duurt wel tweeënhalf uur en ze kijken ademloos, hun aandacht verslapt geen moment.

En zij ziet de droom die uitkomt, ze denkt aan al die uren studie, de vastberadenheid en toewijding. Zodra hij opkomt stromen de tranen over haar wangen. Hij ís de blinde koning die steunt op zijn stok, en nietsziend in de verte staart. Nu neemt hij zijn plek in met de stem die zij zo graag hoort. Krachtig en helder – en ontzettend mooi.

Daags nadien zwaait zij iedereen uit. Het jongste kind gaat lopen, want het regent alweer; zij neemt de grote paraplu, waaronder zij helemaal schuilgaat, als in een tentje. De oudste dochter zet haar grote roze eastpack in de blauwe krat achterop haar fiets. Het is veel wat ze te doen heeft op een dag, elke dag – maar zij klaagt niet. En de Zanger gordt zijn blauwe rugzak om, stapt op zijn snelle fiets en rijdt de andere kant op. Bij het ontbijt zat er nog witte schmink in zijn baard; vandaag wachten er weer vijf schoolklassen op hem.

De moeder zwaait iedereen uit voor zij naar binnen gaat. In het stille lege huis dat vol staat met bloemen, spint zij – onzichtbaar voor anderen – haar fijnmazige web van handelingen en gedachten. En wat zij met elkaar beleefden in de schouwburg, de avond tevoren – die ervaring is nog heel nabij; de melodieën klinken nog na in haar hoofd.

Quarantaine

voor B.

Wanneer ik twee paracetamol uit hun strip druk – want wat moet je anders –, wanneer ik het groene bekertje, dat al sinds jaar en dag in de badkamer staat, met water vul en de pijnstillers wegslik, en wanneer ik in een onbewaakt ogenblik een blik werp op het gelaat in de spiegel, staart een oude vrouw mij aan. Flets haar dat als een vogelnestje op haar hoofd zit, diepe groeven langs haar mond, en veel grijs onder de ogen.

Twee dagen breng ik in sluimer-toestand door. De deur naar boven blijft gesloten. Er worden potten thee, schaaltjes appel, en bekers bouillon bovenaan de trap neergezet; en daarna gaat de deur weer dicht. Alles is heel vreemd. Al die tijd raast de wind om het huis, en klettert de regen tegen het raam.
De tweede dag voegt het jongste kind zich bij mij. Toen zij het bericht hoorde moest ze huilen, ze had dit niet verwacht, ze voelt zich kiplekker. Ze kijkt kerstfilms op mijn laptop aan het bureautje onder het schuine raam. Terwijl het licht langzaam afneemt zit zij roerloos aan het scherm gekluisterd.
De derde dag gaat de wind liggen en wordt het buiten stil, vanaf dan gaat het beter. De Zanger en het oudste kind zijn elders ingetrokken. Ik sta in alle vroegte op, maak voor het eerst weer koffie, en ruik het niet wanneer het kokende water zich met kracht door de koffie perst. In de kamer zit ik alleen op de oude roze bank die in het midden doorzakt en zie hoe de dag heel traag begint. Later nestelt het jongste kind zich in het holletje tussen mijn benen, al is ze intussen bijna net zo groot als ik. Gelukkig kan ik jou wel knuffelen mama, fluistert ze. Voor het ontbijt bakt ze wentelteefjes van glutenboterhammen; nu haar zus er niet is kan dat.

Aan het eind van de ochtend word ik gebeld door een mevrouw, zij vult mijn dossier in, zij is heel geduldig. En gelukkig spreekt ze mij consequent aan met u, dat scheelt iets. Ze zegt dat ik immuun ben. Ik onderbreek haar: maar ik heb het nu toch? Oh nee, oh ja. Ze haast zich door haar vragenlijst, ze dreigt verstrikt te raken in haar eigen protocol. Ze kan het ook niet helpen. Het gesprek duurt heel lang, wel anderhalf uur, na afloop moet ik gaan liggen.

Hoe we ’s avonds film keken en chips aten, er waren veel chips, een collega bracht ze langs. En hoe het jongste kind elke avond kookte. Ze maakte dansjes in de keuken en zette een zonnebril op; voor tijdens het uien snijden. Dat helpt tegen het huilen, ze leerde dat van haar vader. Ze mist hem, en haar zus ook. En hoe we na het eten, toen het donker werd en niemand ons zag, naar buiten gingen. Heel stiekem een rondje liepen door de buurt, dat voelde heel stout. Zij ging op haar skeelers over het fietspad langs het water, dat zo lekker glijdt. Ze gebruikte mij als lantaarnpaal om een rondje omheen te zwieren. En toen we thuiskwamen hing er een zeepje in de vorm van een engel aan de deur. Dat heeft een vriendin langs gebracht, er lag ook een chocoladereep van goede kwaliteit op de mat. Het zeepje hang ik op zolder bij de spiegel. Ik ruik er soms aan, of ik alweer ruik, en als ik daarna in de spiegel kijk, blikt een vrouw met een frisse oogopslag terug.

In dit huis worden dingen gemaakt

Je kunt zeggen dat het in een handomdraai klaar is, en dat is ook zo. Evengoed is het toch een klusje, zoals in feite alles in de keuken wat je zelf maakt. Maar ze doet het graag, en deze zaterdagochtend had ze er zin in om iets lekkers voor het ontbijt te verzorgen. Het schemert nog, er hangt damp boven het koude water, het is fris. De zinnen komen in flarden, zij schrijft ze haastig op losse papiertjes.
Het aanrecht is schoon en opgeruimd, met alle spulletjes op hun plek; een prachtige pompoen glimlacht haar oranje tegemoet. Citroen raspen, het sap over de plakjes appel gieten zodat ze niet bruinen, de noten even kort roosteren vóór je ze door de havervlokken roert. Op het laatst de specerijen toevoegen; kardemom, kaneel en gember geven het geheel haar volle herfstige smaak. Ze schuift de braadslee in de oven en dekt de tafel.

Het jongste kind studeert piano in de leskamer. Ze speelt nummer vier van de cd; muziek van de film waarbij de moeder in slaap viel. Dit is het deeltje dat het meest bekend is, afgezaagd zo je wilt – maar wanneer haar kind het speelt, word ze er opnieuw door geraakt. Zij oefent eerst alleen de linkerhand, later komt rechts erbij. Mam, het gaat steeds beter, maar het is wel moeilijk hoor, met twee handen! Ze was begonnen met viool, en dat ging ook heel snel, maar de lessen waren te schools, te veel volgens het boekje, waar zij juist zo speels is. Dat had de juf niet in de gaten, of zij kon het niet anders. Na anderhalf jaar was ze gestopt. Nu speelt ze piano, en zij hoeven haar nooit aan te sporen, studeren gaat vanzelf, ze vliegt door alle boekjes. Van haar leraar mag zij zelf liedjes aandragen, en stukjes componeren. En ze oefent uit een etudeboek met heel ingewikkelde vingeroefeningen. Je hebt niet meteen resultaat, maar na een tijdje gaat het warempel opeens een stukje beter. Het vraagt iets om dat te bereiken.

En de Zanger laat haar een opname horen, een stukje van de repetitie voor de opera. Toen zij hem twintig jaar geleden leerde kennen was hij popmuzikant, en liep hij op blote voeten in een Afrikaanse jurk met een gitaar op zijn rug. Hij had toen nog groen haar. Nu is hij twintig kilo lichter, en gaat in de avond met de trein naar zijn repetities. Daar oefenden ze de finale van de eerste akte; voor het eerst met orkest en de hoge sopraan die de tegenstem zingt. Die melodie kent de moeder inmiddels heel goed. Afgelopen zomer zong hij dagelijks uren lang; in het eenzame huis in het hoge noorden. Nu drukt hij haar tegen zich aan, wanneer de opname van zijn Iphone door de keuken klinkt. Zijn krachtige bas, met een ongekende warmte in de laagte, voelt zij in haar lichaam.

Het ontbijt is klaar, ze haalt de hete schaal met geroosterde appel en havermout uit de oven, en iedereen schuift aan. In dit huis worden dingen gemaakt. Stug doorwerken, er zit niets anders op, dan nader je langzaam de stip op de horizon.

Storm

De eerste dag van de kalender-herfst viel samen met de overgang naar koeler weer. Overdag is het nog zomers zonnig, maar aan de uiteinden is een ander jaargetijde begonnen. Er moesten jassen aan; er werd een extra deken op het bed gelegd. De gebruinde bladeren van de druif knisperen in de wind, en vallen nauwelijks hoorbaar op de stenen bij de achterdeur.

En zij is steeds heel boos, hoe het komt weet niemand, maar zij wil mensen slaan, en stampend door de ruimte gaan. Dat de ochtend telkens sneller wegtikt, en dat zij dan kranten leest in plaats van boeken; ze liggen als een waaier om haar stoel verzameld, het worden er steeds meer. Dat de volle maan haar hormonaal ontregelt; ze bloedt al bijna vier weken, er lijkt geen einde aan te komen. Dat de katten de plantenbakken op het terras bevuilen. Geregeld stormt ze uitzinnig naar boven om de beesten – die het in feite ook niet kunnen helpen – krijsend te verjagen. Dat er getoeterd word op de snelweg, wanneer zij voor het eerst weer rijdt; de klap resoneert nog steeds in haar lijf. En dat iemand niet luistert naar haar verhaal, niet werkelijk – verdriet en boosheid liggen dan dicht bij elkaar.

Op de radio werd een documentaire besproken, daarna huilde zij stilletjes vanbinnen, Het ging over de gedupeerde ouders, ook zoiets. Het nieuws, al het nieuws, kan zij nu niet verdragen. Het is te veel, er is zo weinig hoop. De beelden. Van mannen in nette pakken, die elkaar lachend met de ellebogen aanstoten. Zij beloven van alles, maar er lijkt niets te gebeuren. Wat nu écht belangrijk is verandert niet. Een campagne is aangepast, minder vlees eten werd eruit gehaald omdat het gevoelig ligt. Kom niet aan mijn gehaktbal. Woest wordt ze ervan.

Door de deur van de leskamer dwarrelt Ide were de keuken in; de melancholische melodie van het liedje doet haar stilvallen. De zanger geeft achter die deur onverstoorbaar zijn lessen – waar hij liever zou zingen, maar hij klaagt nooit. Hoe hij twintig jaar geleden in zijn witte Afrikaanse jurk en op blote voeten, haar leven binnen wandelde. En er sinds die tijd even onverstoorbaar voor zorgt dat zij haar kalmte hervindt. Zodat zij in de avond het jongste kind kan voorlezen uit De kleine Prins, en daarna met de oudste een stamboom van de familie uitschrijft, dat moest voor Engels. Het is dan al donker, de ramen aan de overkant werpen hun gele licht naar buiten, het kind is heel moe. En de moeder stelt haar kind gerust, zodat ze goed kan slapen.

September

Iemand vroeg wat zij hierna ging doen. Ze vertelde dat ze soep ging koken, ze had pompoen gekocht op de markt. Soep voor de verjaardag van het jongste kind. De eerste pompoensoep van het jaar, daar werd ze blij van. Hoewel ze geregeld twijfelde over haar bestemming, wist ze één ding al heel lang zeker, dat ze dát het liefste deed.
En daags nadien fluistert hij het in haar oor. Hij zegt: ik weet dat jij doet wat nodig is, voor jou, voor iedereen. De dingen die zinvoller zijn dan geld verdienen. Waar zij onzeker is, houdt hij haar in de vroege ochtend vast. De hemel boven de huizen aan de overkant kleurt langzaam roze.

Het oudste kind fietst sinds kort de andere kant op. De tas is inderdaad loodzwaar, maar ze heeft een kluisje, dat scheelt. Het zat eerst te hoog, ze kon er niet bij; toen heeft ze een ander kluisje geregeld. Voor het jongste kind ben je nog een baken. Zij gaat nu ook alleen, je wacht op de stoep voor het huis tot zij de hoek om is gefietst; je zwaait haar vanuit de verte na.

En zoveel dingen. Er ligt gras op de vloer, onder de eettafel in de kamer. Havermout kleeft aan de rode kommen van het ontbijt. Een groene Adidas tas met een vergeten dopper slingert rond. De was. Altijd de was.
En ’s middags bij de thee een spelletje, dan liggen jullie samen op het vloerkleed in de voorkamer. Luisteren naar een cd van een film die je ooit zag, die toen een hit was; jij viel halverwege in slaap, omdat je te veel rode wijn had gedronken; je herinnert je niets van het verhaal.

Zoveel dingen. Boeken inkopen. In een grote, kale hal. Buiten is het ongenadig warm; de zon brandt op het asfalt, maar dat merkt niemand. De vrouwen die in de boekhandel werken. Nieuwe mooie zinnen. Net zoals je zelf in de vroege ochtend zinnen schrijft, en onderzoekt of de beelden die je bij je draagt vruchtbaar blijken. Vergeleken daarmee is boeken inkopen van anderen gemakkelijk: het is duidelijk en concreet. En je wordt hiervoor betaald, dat scheelt ook.

De naderende herfst brengt een zekere tristesse met zich mee. Ook zo’n cliché, maar het is gewoon zo. In de middag lig je diagonaal op het gebloemde dekbed. In de boekenhal kreeg je het nieuwste boek van de Ierse schrijfster. Haar eerste boek schreef zij in drie maanden, met haar tweede brak ze werkelijk door, en nu is zij een superster. Een suite van Rachmaninov voor cello en piano klinkt zachtjes op de radio. Zo treft de jongste dochter haar moeder aan; ze is in slaap gevallen. Haar blauwe zomerjurk is omhoog gekropen over haar blote bovenbenen. Een sliertje speeksel is achtergebleven op het kussen. Gaan we zwemmen mam?

Zoveel dingen. Je eigen koers blijven volgen; de tijd nemen voor wat je wilt doen. Boeken lezen en soep koken, dat is feitelijk waar het over gaat.

Dierbare spulletjes

Aan de randen van de dag legt het donker een geruststellende deken om ons heen. In dit land, waar we thuiskomen van vakantie en onze dierbare spulletjes ongeschonden aantreffen. De routine van daarvoor weer kunnen oppakken. In de vroege ochtend koffie drinken op het dakterras; een hommel beweegt traag van bloem naar bloem. Het werk in de boekhandel. Twee jongens met donkere haren, donkere ogen, de een draagt een baard met een elastiek erom. Ze zoeken een specifiek kookboek, dat staat er niet, maar is te bestellen. Waar ze vandaan komen? Uit verre landen, daar zijn ze geboren, nu leven ze hier, ze kunnen naar de boekhandel. En thuis de ruimte om te leven en te denken hoe je wilt.

Terwijl: in dat andere verre land, je wist niet eens precies waar het lag. Hoe zou het zijn als niemand je komt helpen? Er gaat wel een vliegtuig, maar jij mag er niet in?

Op de voorpagina’s van de kranten is alweer plaatsgemaakt voor ander nieuws. Er wordt nog wel bericht, maar dat is op pagina 3 of 4 in één smalle kolom aan de zijkant. Een vrouw doet verslag, zij werkte daar, haar Nederlands is foutloos, ze schrijft anoniem. Het is te gevaarlijk, en het wordt steeds erger. Ze durft haar huis niet uit, heeft alle socials gewist, ze volgt de berichtgeving alleen nog via whatsapp; en dat gaat de hele dag door. Op straat is geen kleur meer te zien; er klinkt geen muziek. Vrouwen blijven thuis, meisjes kunnen niet naar school, mannen moeten hun baard laten staan. En de verlammende angst, die is er voortdurend. Wat gaat er gebeuren? Kunnen we nog op tijd weg?

Terwijl: in dit land, je kunt schrijven wat je wilt. Je kunt het onderwerp zelf kiezen. Geïnspireerd raken, een idee krijgen – dat ligt buiten de controle. Het is niet iets dat je af kunt dwingen, je kunt je ervoor openstellen en dat doe je dan ook telkens weer in de vroege ochtend. In de avond hoor je op de radio over het vliegtuig dat vertrekt, er gingen driehonderd mensen in.

De volgende ochtend heeft de vrouw een plek op de voorpagina gekregen om te schrijven over haar vlucht uit het land, haar geboorteland. Zij zat ook in dat vliegtuig, samen met haar ouders en haar zus. Ze konden één tas meenemen, de moeder was haar schoenen verloren in de drukte. Alles achter zich gelaten, alle mensen, alle spullen – maar dat gaf niet want ze waren gered. Een vlucht in een vliegtuig, een ongewisse toekomst tegemoet. Wanneer je dit bericht leest moet je huilen, je bent blij voor deze mensen, maar weet dat er anderen zijn. En je schaamt je voor de luxe, de vrijheid waarin je leeft.