Zij verzamelt zinnen waar ze gaat

extra editie bij een jaar Een leven in scènes, voor de trouwe fans en lezers van het eerste uur

Na zeven jaar verscheen een nieuwe editie van het woordenboek. Dit was een heuglijk feit, er was naar uitgezien, het werd een item in het achtuurjournaal. Het zijn ook nu weer drie dikke delen, gebonden boeken in een gekleurde band. De belettering is anders: gemoderniseerd, je zou haast zeggen hip. Het hele pakket ziet er indrukwekkend uit, je krijgt zin om het aan te schaffen, er zomaar wat in te bladeren.
De hoofdredacteur van de omvangrijke cassette – met een naam die in niets aan taal doet denken, eerder aan eten, al is alles natuurlijk taal – sprak erover voor de radio. Hij hield een gloedvol betoog: waarom een papieren lexicon te verkiezen zou zijn boven de online variant. Omdat je dan op verrassingen stuit, toevallige woorden tegenkomt waar je niet naar zocht maar die je nu wel vindt.

Hoe het werkt in je hoofd, hoe letters woorden zinnen maken. Zinnen die betekenis hebben, en een coherent geheel blijken te vormen. En dat je daarmee een verhaal schrijft. Hoe het ontstaat, hoe het schijnbaar toevallige samenhang krijgt. Het is een raadsel dat steeds weer verbaast.
En dat je met taal dingen kunt doen, werkelijk een daad stellen. Daarover leerde je al tijdens je studie, er was een heel vak dat daarover ging. Maar het lijkt wel alsof je het nu pas ten volle snapt: wat jij doet ís iets. Een jaar lang in alle vroegte je potlood slijpen. De boom voor het huis bloeit weer, witte sneeuw op witte bloesem, wanneer je opkijkt kleur de lucht voorzichtig donkerblauw in plaats van zwart.

Een compliment van de professionele lezer; hij kruiste je pad, nog niet zo lang geleden. Het maakt dat je op deze doordeweekse maandagochtend de stofzuiger links laat liggen; het ding staat midden in de kamer maar je wendt je af. Je richt je blik op het zwart-gele schrift dat voor je ligt, om te doen wat je wilt doen. De zelfgecreëerde methode, van met de hand, met potlood, gewoon beginnen, altijd weer – en zo wat vanbinnen sluimert tevoorschijn te halen.
En als je daarna opstaat van je plek aan tafel, is er iets veranderd. Dan neem je de dagelijkse riedel weer ter hand, maar dát gaat nog door, het gaat altijd door. De losse briefjes in huis vullen zich weer met half afgeschreven zinnen, ze worden neergeschreven inderhaast, terwijl je een was ophangt, iets hoort op de radio; een kind zegt iets. Een gedachte is soms net als een droom, die voor je hem kunt navertellen al vervliegt.
En intussen denk je aan de vrouwen die je zijn voorgegaan, die ook hoekjes zochten aan de randen van de dag; dat zijn er veel. Je denkt aan Sylvia Plath; zij schreef haar beste werk om 4 uur in de ochtend, haar twee heel jonge kinderen lagen in diepe rust. Je denkt aan Madeline Albright die aan haar proefschrift werkte in de nacht, om daarna weer brood te smeren voor de anderen.

En soms is er de gedachte: kon je maar, deed je maar. Met drank op iemand aanklampen, meegaan naar een vreemd huis en zien waar dat eindigt. Jezelf loszingen van dat wat je hier houdt. Maar je weet ook: wanneer jíj het spoor bijster raakt, dan loopt het in de soep, dan raakt iedereen uit de pas. En je doet dat niet, je zult het niet doen. Het stramien is nodig, het houdt je op de rit, en zorgt ervoor dat je dit kunt doen: dingen maken die er voor die tijd niet waren. Je zocht er niet naar, maar vindt ze wel.

Hij heeft zijn stem gevonden

Ook in haast op losse briefjes geschreven zinnen zijn zinnen. Je verzamelt moed om ze überhaupt neer te schrijven. Want eerst staar je dromerig uit het raam als een klein kind. En vervolgens poets je het dakterras in de eerste zon. Veegt de ingedroogde uitwerpselen op van de katten uit de buurt, gaat het mos met een borstel te lijf; dat heeft een groen waas gevormd op de houten vlonder. En je wilt oprecht graag de gordijnen wassen; het grijs van de winter laten verdwijnen met het vuile water. Wanneer ze schoon hangen valt het licht er zo mooi door.

Het ging over stemmen, je wilde iets zeggen over de stemmen die klinken. Je dacht aan de jonge vrouw, die je ontmoette in het voorbijgaan. Ook zij wilde schrijven, ze had al vellen vol gepend, het ging ergens heen. Maar toen sloeg de geboorte van haar kind een krater in dit alles. De tijd, waar was die gebleven? Hoe vinden wij nadien onze eigen stem weer terug?
En jij vond een map terug, een zwarte 4-rings multomap met teksten erin. Je was verheugd, je had gedacht dat ze waren kwijtgeraakt; de computers waarop je ze schreef bestaan al lang niet meer. De oudste dochter die altijd graag meeleest merkte op: ik herken jou erin, je schreef toen net als nu. Die stem – die had je blijkbaar al.

De schrijfjuf heeft gezegd: iedereen heeft een verhaal, het gaat erom hoe je het vertelt. Het verhaal dat jíj wilt vertellen, dat is poëzie van het dagelijks leven, want verzinnen kun je het niet. Nu gaat het over de reis die je maakte, naar een vreemde stad; het was een uur met de trein, en nog een stuk met een tram. Je ging door het donker, een vriendin aan de arm, met een heldere hemel en een halve maan in de nacht.
En daar stond het koor in een boog te wachten, in een grote ronde nis met bijbelse taferelen, die zijn gemaakt van heel kleine steentjes. Als een kleurrijke omhulling van de in het zwart geklede mannen en vrouwen. Er waren werken gekozen om een oude oorlog te herdenken; nu hebben de koorleden geel-blauw vaantjes op de borst gespeld.
De kleine dirigent beweegt alsof hij danst. Vanaf de eerste bank is zichtbaar dat hij heel hard werkt. En hier in deze kerk, die gevuld is met heel veel mensen, klinkt eindelijk het lied dat je thuis al heel vaak hoorde. Je bent trots en het raakt je, hem hier te zien staan. Hij zingt vol vertrouwen en alles gaat goed.

Waar jij een dag nodig hebt om één zin neer te schrijven die blijft, bikt hij in het overvolle programma de hoekjes uit om ze te vullen met zijn stem. Waar jij in de vroege ochtend zoekt, heeft hij zijn stem al lang gevonden.

Geel – en bij thuiskomst blauw

En toen was je plots in een gele fase beland; wellicht had het met de situatie in de wereld te maken. Het begon ermee dat je een knalgele trui kocht van heel zachte wol. Waar je dacht dat geel je niet stond, bleek het prachtig te kleuren bij je donkere haar; je droeg hem de hele week.

De kerk in het dorp heeft een geel geschilderde spits. Je komt er niet achter wat de reden is van dit anachronistische verschijnsel. Het is een middeleeuwse kerk met een heel smalle trap van kleine vierkante stenen die met scherpe bochten naar boven wentelt. Je moet eerst naar boven roepen, tegenliggers kunnen elkaar niet passeren in de bochten. Vanaf de top – het waait er flink, de wind is heel koud – kun je het eiland in de verte zien liggen. Na een stuk vlak land en een dijk, met erachter de zee, ligt ver weg een strook duinlandschap. Eenmaal boven zie je van dichtbij hoe geel het topje van de toren werkelijk is.

Vlak voor vertrek naar het kleine dorp in het noorden, kocht je een geel opschrijfboekje van een chique merk. Je draagt het voortdurend bij je, krabbelt flarden en zinnen waar je gaat. Er was een schrijver, een échte schrijver; zij had een boek uitgebracht, het omslag was okergeel. Je las het bij verschijnen en vond het heel mooi. In rake zinnen schetste zij een leven dat boeit.
De schrijfster lacht veel, en beweegt snel en zelfverzekerd door de ruimte. Zij is klein van stuk en frèle, de lippen rood geverfd, met donker haar dat in een korte coupe om haar gezicht valt; ze doet je denken aan Juliette Binoche in Te Unbearable Lightness of Being. Je vertelt haar hoe goed je haar werk vond, dat je erover schreef, ze moet er ervan blozen, ze schrijft een opdracht in jouw exemplaar.

Later de vraag van een jonge vrouw, buiten aan een gele tafel. In de laatste zon van de dag drink je een glas bier en rookt een sigaar, zij rookt een sigaret. De vraag of je, als je moeder wordt, niet verdwijnt als méns. Ze stelt haar vraag met de nadrukkelijkheid, de urgentie, die je alleen op deze leeftijd, zij is halverwege de twintig, aan de dag kunt leggen. Je moet erom lachen. Ja, dat gebeurt, in het begin, en daarna komen er zoveel lagen bij, dan word je weer jezelf, maar dan een andere zelf.

Het hele weekend schijnt de zon met een helderheid die we gemist hebben de afgelopen maanden. We vergeten wat er verder gaande is en wenden ons gezicht naar het licht, sluiten onze ogen en voelen de warmte op onze wangen. Het landschap schittert surrealistisch als een schilderij, waarop de winterse kleuren je tegemoet knallen. Een strakblauwe lucht boven bleekgele stoppels, de rietpluimen wuivend in de wind. En het land is vlak, zó vlak; de lege weidsheid beneemt je de adem.

En bij thuiskomst, na een lange treinreis, denderen alle verschrikkingen van de wereld weer over je heen. Het weekend lijkt een droom, net zo ver weg als het kleine dorp met de gele torenspits aan de uiterste rand van ons land. Je brengt drie tassen met warme kinderkleren en tandpasta naar een lokaal inzamelpunt, je maakt geld over naar de hulporganisaties en zaait zonnebloemen. Wat kun je verder nog. En je leest het enige boek dat je nu kunt lezen, dat met het knalblauwe omslag, dat verhaalt over het land en het conflict, en dat voor een bepaald soort verbinding zorgt met de mensen aldaar waarvoor je hart bloedt.

Zij heeft haar keuze nog niet gemaakt

In een winkel net buiten het centrum verkopen ze tweedehands spullen, vooral kleding, maar ook boeken en meubels. Je ziet daar een laag tafeltje; een soort vierkant dienblad op pootjes. In gedachten ga je naar de kamer thuis, de nieuwe indeling met de bank in de achterkamer, en meer ruimte voor het stugge geknoopte kleed, waar je nu zo heerlijk op de grond zit met thee, om spelletjes te spelen met de kinderen. Je rekent het tafeltje af bij de lieve vrouw die doof is aan één oor – net als het jongste kind.
Op de stoep voor de winkel tref je de kleuterjuf. Als zij een vraag stelt, luistert ze echt naar het antwoord, en wat ze zelf vertelt is nooit zomaar iets. Ze heeft een compact, tanig lichaam en rozige wangen die de sporen dragen van veel buitenlucht. Heldere ogen, in haar oren twee kleine gouden hangers met een lichtgroen steentje. Ze praat langzaam en articuleert duidelijk; ze kijkt je aan.

Later denk je weer aan haar, die de juf was van het jongste kind. Het kind dat nu naast je fietst op de snelle fiets, de sportfiets die je vijftien jaar geleden kocht om mee door de duinen te fietsen, bij wijze van sport. Dat doe je al lang niet meer, en intussen is het kind bijna groter dan jij. Jullie fietsen naar een nieuwe school, de enige school die je daadwerkelijk vanbinnen kunt zien. Jij vindt het spannend, het kind niet. Op het plein parkeert zij de grote fiets achteloos tussen de andere fietsen en loopt naar de ingang. Ze gaat de school in zonder nog om te kijken.
En jij fietst bedachtzaam een klein stukje terug richting het dorp. Een laan met bomen vormt de grens tussen het scholencomplex met sportvelden, en het natuurgebied dat ernaast ligt. Waar je hoopte thee te kunnen drinken in een dorpscafé blijken alle deuren op dinsdagmiddag gesloten. Alleen bij de bakker kun je terecht; daar bestel je een glas kokend water met een zakje pickwick thee. Op de toonbank staat een hoge plastic vaas met paaseitjes in allerlei kleuren; je kiest er vier uit en eet ze achter elkaar op. Een vrouw met grijze krullen die ze met een speldje naar achter heeft gestoken, zet een glas voor je neer op het witte formica blad. Ze wil graag kletsen, er is verder niemand. Haar zoon zit ook op die school, ze lijkt dat niet bijzonder te vinden. Als het goed gaat met je kind, heb je er als ouder niks te zoeken, ik ben er de laatste jaren niet meer geweest. Er viel wel veel weg, dingen gingen niet door, dat was jammer voor hem.
Zelf voel je wel een zekere opwinding. Niemand gaat toch zomaar naar het gymnasium? In jouw familie is zij de eerste. Je bladert door de krant, denkt eraan hoe ze als kleuter, ze was toen al groot, voor het eerst naar school ging. Hoe ze bedachtzaam kon kijken als ze luisterde naar de juf. Hoe heerlijk ze het vond toen ze als oudste kleuter extra taakjes kreeg. Ze timmerde een poppenbedje en maakte er een dekentje bij, van de juf kreeg ze een gebreide kabouter om erin te leggen. Nog jaren heeft het bedje op haar kamer gestaan.

Je kijkt naar buiten, het begint te regenen, je rekent af en haalt de zwart met rode regenjas uit je fietstas. Op het plein staan meer ouders te wachten, het regent steeds harder. Dan komen de kinderen naar buiten. Zij is ook hier bijna de grootste. Zelfs de brugklassers van dit jaar lijken kleiner dan zij. Mag ik mijn regenjas is het eerste wat zij zegt, verder komt er geen woord. Tegen de wind in, de striemende regen in het gezicht, terug naar huis. Bij het viaduct, waar het fietspad onder de provinciale weg doorbuigt, zegt ze: we kregen Frans en Wiskunde. We moesten een gesprekje voeren en een ingewikkelde som uitrekenen. Er zaten ongeveer twintig kinderen in het groepje. Ze klaagt niet over het weer of de afstand, ze trapt stevig door. Thuis trek ik mijn onesy aan en wil ik een kop thee is het enige wat ze erover zegt. En dat haar spijkerbroek ze akelig tegen haar knie plakt, en dat ze langzaam natte sokken krijgt.

De volgende ochtend liggen er takken op straat; een boom is omgewaaid. Dan regent het niet meer en is de lucht licht, in het park bloeien de sneeuwklokjes. Haar vader zegt: als je voor deze school kiest, krijg jij ook een snelle fiets, die kopen we dan nieuw voor je in de winkel. Maar zij laat zich niet tot een oordeel dwingen, ze heeft haar keuze nog niet gemaakt. En in de middag spelen jullie weer het spel met de treinen, op het kleed in de achterkamer.

Flarden, er is geen tijd voor meer

Je leest interviews – ze staan in alle kranten – met de auteur van een biografie. Zij heeft er acht jaar aan gewerkt, het is de biografie van een Nederlandse schrijfster. De biografe beweert dat het gepolijste beeld dat we van deze schrijfster hebben niet klopt, dat ze een slecht huwelijk had en vaak ongelukkig was. Dat mensen om haar heen altijd zeiden: je komt er niet achter wat ze werkelijk vindt. Het zwarte schrift verdween niet in de shredder, en daaruit werd nu gretig geciteerd; intieme details werden openbaar gemaakt. Je krijgt er een ongemakkelijk gevoel bij; haar werk moeten we lezen, daarin wordt alles zichtbaar. De discrepantie tussen het uiterlijke leven – het zorgen, poetsen, redderen – en de vergezichten die zich vanbinnen openbaarden. De worsteling, die hield zij voor zichzelf. Intussen publiceerde zij meer dan vijftig jaar in alle genres, en werden haar boeken met grote internationale prijzen bekroond.

Het kreeg ons weer te pakken; het was zoals eerder, en iedereen bleef thuis. Overdag is er geen lege tijd; om toch de stilte van je eigen ruimte te ervaren, sta je nog vroeger op dan normaal. De hele week draag je dezelfde kleren en je haar zit vreemd. Je mag niet naar je werk, al ben je zelf niet ziek. Eigenaardigheden worden uitvergroot. Dat je je mobiel weglegt in de voorraadkast in de mooie zelfgemaakte etui, om je schermtijd te beperken. Je wilt wel nuttig bezig zijn, maar dat gaat gewoon niet steeds. Dat je goedkope olijfolie overgiet in chique flessen met een mooier etiket. En in de avond knoop je je nieuwe roze schort voor, om in de keuken ingewikkelde recepten uit te proberen, je kookt dat het een aard heeft, ook al heb je na vier maanden je reuk nog niet terug. De tijd vertraagt, maar maak je dan ook minder mee?

Het jongste kind vliegt door het schoolwerk. Het aquarium van Gijs, daar moet ze ingewikkelde berekeningen mee maken, hoogte, lengte, diepte – en hoeveel liter past er dan in? En dan de zinsontleding, wat is het ruimtelijk bijwoord? Het was jouw vak, maar veel is weggezakt. De woorden zo precies te kunnen ordenen en classificeren – dat doe je haast nooit meer. Bovendien is het kind slimmer dan jij. Ze fietst naar de bieb, en brengt daarna uren lezend door op de oude roze bank, die in de nieuwe indeling weer oogt als nieuw. En terwijl de meisjes tv kijken aan de achterkant van het huis, probeer jij die ene flard op te schrijven, voor de gedachte weer vervliegt. Je denkt aan de bekroonde schrijfster, wilt haar boeken graag weer lezen, maar overdag lukt dat niet en ’s avonds ben je te moe.

Na een week kan de Zanger weer zingen; je hoort Ich habe genug* uit de leskamer klinken en denkt: ja, ik heb ook genoeg van dit alles. Je gaat tekeer tegen de meisjes om niks, zij kunnen het ook niet helpen, maar je wilt dat ze weer naar school gaan, dat is immers de bedoeling. De hele week was je een logé in je eigen huis, nu verschoon je het grote bed, het; je stopt het zware dubbele tweepersoonsdekbed in de nieuwe gele overtrek, de kussens in bijpassende slopen. Beneden bloeit de kornoelje met kleine gele bloemetjes in de zon.

* Uit de cantate BWV 82, die J.S. Bach componeerde voor Maria Lichtmis, 2 februari 1727

Vois sur ton chemin

Voor Elisabeth

Elke ochtend schud ik je wakker en praat tegen je. Soms houd ik je vast, mijn gezicht dichtbij je oor en wens je goedemorgen, zeg dat ik van je houd. Ik denk dan dat de taal die jij niet kunt horen je toch op de een of andere manier bereikt. Zodra je je ogen opent, lees je de gesproken woorden van mijn mond.

Nadat je geboren was zijn we gebarentaal gaan leren. Elke dinsdagavond reden we over de A9 naar het audiologisch centrum in Alkmaar, dat gevestigd was in een heel lelijk hoog gebouw, met op een van de andere verdiepingen de reclassering. Het centrum was van een ontstellende lelijkheid, met lage systeemplafonds, grijze vloerbedekking en deuren die met een holle klank te hard dicht sloegen. In de wachtruimte stonden smakeloze stoelen, en er hingen informatieve posters aan de muur. Hier werkten de kundige en empathische mensen, die voor ons de eerste kennismaking vormden met een onbekende wereld.
De eerste jaren sprak je alleen met je handjes, je was daar heel goed in en kon alles zeggen. In de avond lag je in je spijlenbedje de dag door te nemen in kleine gebaartjes; dat je een paard had gezien op de kinderboerderij. Toen je wél begon te spreken was je tweeëneenhalf. Aanvankelijk was het aarzelend, maar gaandeweg kreeg je steeds meer vertrouwen, en toen ging het heel rap. En nu is aan jouw spraak niets vreemds te merken; niemand hoort dat jij extra je best moet doen om de ander te verstaan, en dat je zonder je hoortoestel vrijwel doof bent. En jij ontwikkelde je tot een stevig en vastberaden kind, dat op haar dertiende naar een middelbare school gaat met meer dan vijftienhonderd leerlingen om vwo te doen.

Op deze nieuwe school krijg je allerlei nieuwe vakken, waar je gretig en enthousiast aan werkt. Voor Frans moet je woordjes leren en dat gaat je gemakkelijk af; voor dit vak haal je het hoogste cijfer en je bent trots. Omdat jullie goed op schema liggen, en er tijd over is, heeft de docent voor de laatste lessen een film meegenomen. Een Franse film over een leraar die op een internaat in het Frankrijk van net na de oorlog een koor begint met de kinderen. Het is een remake van een film uit 1949, een met prijzen overladen arthouse productie.
Ik weet niet hoe de andere kinderen uit jouw klas naar deze film keken, maar jij werd gegrepen door het verhaal, waarin muziek een belangrijke rol speelt. Je had de soundtrack op Spotify al snel gevonden en luisterde die – via een bluetooth verbinding direct in je toestel – voortdurend. En toen de laatste lessen vervielen en je de film niet kon afkijken op school, mailde je de leraar met de vraag of je de dvd van hem kon lenen. Dat ging helaas niet, maar je kocht een exemplaar op Marktplaats, wachtte ongeduldig tot het schijfje in een envelop met de post werd thuisbezorgd, en keek de film nog diezelfde middag in je eentje op de laptop af.

Er is iets in de muziek uit deze film dat een snaar bij jou raakt. Wat het precies is, weten we niet. We weten na al die jaren nog steeds niet hoe jij muziek ervaart, hoe het binnenkomt in jouw hoofd, en wat je ervan hoort. Eén van de liedjes wil je graag zelf zingen. Je hebt je nog nooit laten weerhouden door je handicap, en dat doe je dus ook nu niet. Je zat op pianoles en blokfluit, en ook al hoorde je het niet als je een verkeerde noot speelde, en waren de harmonieën soms bijzonder en anders – de muzikaliteit draag je bij je, die bestaat in jou.

Het is zaterdagavond als je na het eten samen met je vader achter de piano zit. Het warme, lichtgele licht van de pianolamp, schijnt op de bladmuziek van Vois sur ton chemin. Hij speelt de begeleiding en samen zingen jullie de melodie van het liedje dat we intussen allemaal goed kennen. Je stem is helder en grotendeels heel zuiver, een enkele noot is anders dan er staat. Ik sla het tafereel in grote verwondering gade. Ik denk aan hoe je doof bent in de vroege ochtend. Ik denk aan vele momenten dat je iets niet hoort, of een heel gesprek aan tafel gemist blijkt te hebben. Ik denk aan het gevoel van wanhoop dat mij als moeder overviel. Hoe je voor het eerst naar schaatsles ging en de juf niet kon verstaan. Hoe je zwemles kreeg in een heel klein badje, en je diploma haalde in dezelfde tijd als de andere kinderen, hoe trots ik toen was. Hoe trots ik zo vaak ben. Ik denk aan vanwaar we gekomen zijn met jou en met elkaar. Ik pak je van achteren vast en we wiegen samen terwijl de muziek klinkt, we zingen samen, jij de tekst, ik neurie mee, je lichaam tegen het mijne, en boven je hoofd lopen de tranen over mijn wangen. Jij merkt dat niet, ik wil het niet laten merken want je hebt er een hekel aan je moeder te zien huilen, maar mijn wangen worden nat en de tranen druppen in jouw haar.

Enkele woorden in blauw

In een droom werk ik in een winkel met kasten van donker hout. De kasten zijn allemaal verschillend; ze hebben brede of heel smalle planken, rechte en schuin afgezaagde. En er zijn zelfs kasten met heel kleine lades waar boeken in zitten; de laatjes gaan moeilijk open. Sommige kasten lopen door tot óp de grond. Wanneer er gevraagd wordt naar een boek op de onderste plank, moet je flink door je knieën om het te pakken. Dit alles verbaast niemand. De ruimte is rommelig en doet ouderwets-klassiek aan; het heeft iets geheimzinnigs. Of sprookjesachtig, zoals in de boeken van Harry Potter, met ruimtes die opeens tevoorschijn komen of weer verdwijnen. De winkel is langgerekt, en loopt heel ver naar achteren door; het is een echte pijpenla en het is er heel druk, er zijn veel mensen binnen.
Ik krijg een briefje met een aantal titels erop in mijn handen gedrukt. Een collega uit een andere winkel, die ik nog van vroeger ken, schreef ze op. Deze titels komen me allemaal totaal onbekend voor, in lichte paniek loop ik door de ruimte en ik kan niks vinden. Hoe hebben ze het hier georganiseerd? Staan de boeken wel op alfabet, of op rubriek? Ik kijk op planken, trek lades open en duw mensen opzij om erbij te kunnen – zonder resultaat, ik kan de klant niet helpen.

Bij het wakker worden is de wereld blauw, en aan de achterkant lichten verschillende ramen op in het donker. Ik verlang naar roze. Ik fiets op een nieuwe tweedehands fiets die rood is in plaats van groen naar een heel ander soort winkel. Hier komen nog geen mensen, het is er heel stil. En zo opgeruimd en aan kant als het nooit was. Alle kasten gestoft en gedaan. Alle hoekjes met troepjes uitgezocht, papieren geordend, de vloer in de keuken gepoetst. En alles en alles. Het meest opwindend deze dag is de balk in het scherm die plots donkerblauw is in plaats van grijs.
Er staat iemand voor de deur, hij mag niet naar binnen. In de deuropening is een hoge ronde tafel geplaatst, met een zwart kleed tot op de grond en een spatscherm waarop met witte plakletters: afhaalloket staat. De man zegt zijn naam, en ik haal zijn bestelling, hij is opgetogen: Afhaalloket, dan denk je aan kroketten, maar je krijgt een boek, wat een feest!

In de avond als je weer naar huis fietst heb je een blauw boek in je tas gestopt. Het is van een Franse schrijfster die columns schreef voor Libération, dat was veertig jaar geleden. Ze wist niet waarover ze moest schrijven, ze schreef vooral over de zee. Het was een regenachtige zomer, ze schreef over regen. Je kiest het onderwerp niet, het onderwerp kiest jou. En als je thuiskomt, staan er roze tulpen in een vaas, en ligt er een kaart op tafel te wachten. Want één van hen kon niet komen op het feestje. Een paar woorden slechts schreef zij, en die bereikten je na een week, als was het een wereldse reis die de envelop vanuit de provincie moest maken. Zij heeft ze geschreven in het huis waar buiten en binnen in elkaar overgaan. De tafel waaraan zij zit zie je voor je. De handgeschreven gelukswens, of liefdesbetuiging, is een zeldzaamheid geworden. De kaart bewaar je als een kostbare kleine schat.

Oranje soep, een wit tafelkleed en een gele doos

Het oudste kind maakte voor Aardrijkskunde een interview, het moest gaan over de cultuur van een ander land, wat er anders is dan hier. Zij had een gesprekje met een jonge operazangeres uit Hong Kong. Nadien merkte het kind op: er is daar helemaal geen cultuur, het gaat alleen maar om zo hard mogelijk werken, dat doet iedereen. Vroeger was Hong Kong een vissersdorp, en nu een metropool. De mensen wonen heel dicht op elkaar in hoge flats, en verder is er niets. Geen cultuur, en geen rituelen die houvast bieden.

Hieraan denk ik op de dag voor Kerst. Er branden lichtjes in de boom die feestelijk versierd is; kerstballads klinken uit de radio en de kinderen spelen Risk met een vriendinnetje. Ik kocht bittere sinaasappels op de markt, die zijn hier maar kort verkrijgbaar; elk jaar ben ik verheugd als ik ze zie. De truc is de vruchten zó lang te laten koken dat de schil helemaal zacht wordt, en je het vruchtvlees er gemakkelijk met een lepel uit kunt scheppen. De schillen vervolgens in reepjes snijden is een fijn meditatief klusje voor deze dag. Zijn de schillen eenmaal kleingesneden, dan doe je ze met de suiker opnieuw in de pan en kookt ze tot het gaat geleren, en dan kun je de hete oranje soep in de schoongekookte potten gieten.

Na het ontbijt op de tweede kerstdag haal ik het tafellaken af om in de wasmachine te doen. In plaats van de stoffen kleedjes die we de rest van het jaar onder onze borden leggen bij wijze van placemats, gebruiken we met Kerst dit witte kleed. Een van de rituelen die het kerstfeest omringen is het strijken van dit kleed aan de vooravond. Het is in een bepaald patroon geweven dat ze damast noemen, maar het is gewoon van katoen. Sommige spullen neem je van huis mee, andere schaf je zelf aan, en niet altijd op de meest prozaïsche plekken, dit kleed kocht ik jaren geleden bij Albert Heijn. Voor ik het bij elkaar vouw om naar boven te brengen, sprenkel ik bleekmiddel op de vlekken; sporen in rood en geel en bruin die twee kerstdiners erop achterlieten. Die gaan er in de was niet zomaar uit.

En op de eerste dag van het nieuwe jaar, word ik wakker op een boot. De nacht was uitbundig zoals deze nachten horen te zijn. Met buiten een klein vuurtje; champagne en met zalm gevulde eieren. En toen het illegale vuurwerk de lucht in werd geschoten, en toen we met elkaar in verrukking naar alle kleuren boven het water hadden gekeken, toen dansten we zoals we alleen hier en nu konden dansen. Met puberkinderen die verbaasd toekeken vanaf de petrol-kleurige bank met veel kussens, en dat kon ons niet schelen, want wij wilden dit: schaamteloos het jaar uitdansen, het nieuwe jaar tegemoet. En ook hier word ik ’s ochtends heel vroeg wakker, met een hoofd nog wazig van de drank. In de blauwe schemering kan ik de slaap niet meer vatten en denk aan mijn eigen rituelen in alle vroegte telkens weer, en aan doorgaan wat ik ben begonnen.

In de middag gaan we met de bus naar huis. Iedereen is moe, we staren slaperig uit het raam. Eenmaal thuis nestelt het jongste kind zich op onze eigen bank; die roze is en oud, en die in het midden doorzakt. En ik ga doen wat ik het liefst doe op deze dag: de boom ontmantelen – die heeft nu alle glans verloren. Nog een keer laat ik de spulletjes door mijn handen gaan, het zijn stuk voor stuk fragiele figuurtjes die ik zorgvuldig in vloeipapier verpak. De piek is van zilvergekleurd glas in een klassieke vorm. Ik kocht hem bij de Bijenkorf, toen de meisjes nog klein waren; het was vlak voor Sinterklaas, en het warenhuis was feestelijk opgetuigd – zij keken hun ogen uit. De rood-wit gestreepte zuurstokken bracht een oppas mee, ze zitten in plastic en kunnen nog jaren mee. Eén klein klokje, van heel dun doorschijnend glas hangt aan een zilveren draad aan de onderste tak, dat is van vroeger, van de kerstboom thuis. En de kleine glazen pegels, in roze, geel en groen, kregen we opgestuurd na de geboorte van het oudste kind; er werd toen een pakket uit Duitsland bezorgd, dat kwam van mijn tante uit het Zwarte Woud. Elk voorwerp vertelt zijn eigen verhaal; oude verhalen, en de verhalen die nog komen. Er hoeft geen verband te zijn, maar samen vormen ze een geheel. Ik stop alles in de gele kartonnen doos met het handschrift van mijn tante erop, en breng die naar zolder.

Vrouwen in het rood

Het gelaagde personage achtervolgt mij deze dagen, die ik niet thuis doorbreng. Ik reis met de trein naar het oosten en heb allerlei tassen bij mij, die gevuld zijn met boeken en kleren en eten. De trein van Deutsche Bahn brengt mij naar mijn bestemming; een reis naar de provincie met internationale allure. Onderweg lees ik in de dikke weekendkrant een interview met een vrouw die ervoor pleit dat Nederlandse vrouwen meer zouden moeten werken. Economische onafhankelijkheid is heel belangrijk. Naast het artikel een foto van haar in een knalrood broekpak. Als een rood stoplicht. Alsof zij wil zeggen: Ho, stop, zo kan het niet langer.
De trein passeert verschillende stations zonder stil te houden, en ik staar uit het raam de duisternis in. Mijn moeder was veel thuis, ik ben ook veel thuis. Wat betekent dat voor de toekomst van mijn dochters? Zadel ik hen ergens mee op?

Op het station van de provinciestad wacht mijn vriendin. Zij heeft haar rijbewijs gehaald, wat niet gemakkelijk was. Nu rijdt zij mij in haar elektrische auto moeiteloos over stille wegen, langs kale velden, door heel donker bos, tot aan de zessprong waar haar huis staat. In de kleine boomgaard achter het huis brandt in het gastenverblijf al een lichtje. Ik nam voor haar een stapeltje boeken mee met een geel touwtje eromheen, en een rogge-rozijnenbroodje. Maar de dankbaarheid voor haar uitnodiging, die mij gelegenheid biedt uit de chaos van het gezinsleven te stappen, is niet uit te drukken in wat dan ook – en dat weet zij.

Later zitten we bij het vuur in dikke vesten; boven ons een wijdse hemel met sterren, in de hand een glas rode wijn en een sigaar. Het zijn sjieke sigaren uit een echte sigarenwinkel, niet de dunne die ik van mijn moeder altijd krijg en die zij bij de supermarkt koopt. Wij verheugen ons in elkaars aanwezigheid, en delen onze verhalen. Over de rafelranden van het leven. Dat wat niet zo gaat als gedacht of gehoopt. Het moet niet te mooi worden allemaal. Gepolijst, dat wel, maar ook hier en daar lelijk. Bloed is helemaal niet erg.

In het gastenverblijf, dat nu dienst doet als schrijfhuisje, probeer ik mijn verhalen samen te brengen tot een geheel. Ongestoord te kunnen werken klinkt aantrekkelijk als je er van een afstandje verlangend naar kijkt. Maar in de praktijk wordt hier evengoed – net als thuis – een hoop tijd verlummeld. En ook hier worden de gedachten toch gemakkelijker op losse blaadjes geschreven, binnen de kortste keren ligt de ovalen witte tafel ermee vol. De luxe bestaat eruit dat ze gewoon kunnen blijven liggen, dat niemand er last van heeft, dat je een uur aan de rood-paarse babysokjes breit, en het schrijftafereel daarna precies zo aantreft.
Tussendoor lees ik een boek met een rood omslag. Het is het derde deel van een autobiografisch drieluik. De gedachten van de schrijfster gaan alle kanten uit. Over de huizen waarin we leven, wat er overblijft van het gezinshuis als je gescheiden bent en je dochters de deur uitgaan. Over waarom vrouwen in filmrollen meestal zo vlak zijn, waar mannen een keur aan onhebbelijkheden krijgen toebedeeld, en toch sympathiek blijven. Willen we als vrouw een gelaagd personage worden, dan moeten we onze schaamte naar boven halen; dat wat vies en misplaatst is laten zien. Hoe ik – tijdens een uitje met de klas van het jongste kind – door een andere moeder betrapt werd op de wc. Ik had de deur niet op slot gedaan. Zij trof mij, met mijn spijkerbroek op m’n enkels, de witte dijen op de wc-bril, kijkend op mijn telefoon. Wat was er in godsnaam zo belangrijk om op dit moment te bekijken? Maakt dit voorval mij gelaagd?

De maandag erna veeg ik in mijn eigen woonkamer het stof weer van de vensterbank. Het oudste kind heeft een allergie voor stof; dit moet gewoon gebeuren, het is een van de constanten in mijn leven, en niemand anders doet het. Het bevreemdt me dat ik nu nog steeds het gevoel heb dat de Vrouw in het Rood over mijn schouders meekijkt. Het jongste kind zei aan het ontbijt: Mama, ik denk dat er in jou heel veel kaboutertjes passen, maar jij bént geen kabouter. En zo is het.

Wanneer ik de dag erna in alle vroegte naar de boekhandel fiets, is de vrouw eindelijk verdwenen. Er staat een kerstboom in de etalage, daar moeten nog lichtjes in; eronder liggen de mooiste boeken van dit jaar. Langzaam wordt het licht. Als het weer donker is geworden, is mijn hoofd gevuld met de verhalen van anderen, eenmaal thuis buitelen de verhalen van thuis over elkaar heen. En de volgende ochtend is het helder en koud, en kan ik voor het eerst in weken onder de sterren mijn koffie drinken; de hemel heeft zich geopend. Dan werk ik aan mijn eigen lappendeken. Mijn verzameling kleine verhalen; woorden en zinnen die in kleine steekjes aan elkaar zijn geschreven. En daarna trek ik mijn rode wintertrui aan.

Het bleef bij woorden

Het bleef bij losse woorden dit keer, de zinnen verstopten zich. Zij voelt zich ontoereikend, geïntimideerd door anderen, die het wel lukt hele bladzijden te produceren. Pagina’s tekst, gevat in een glimmend omslag; de boeken liggen in stapels in de boekhandel. Mensen wachten geduldig in lange rijen, terwijl zij de cadeaus feestelijk inpakt in rood met gouden papier. Haar handen doen gedachteloos het werk, ze kan het met haar ogen dicht, het wordt heel mooi. Het zijn specifieke wensen, die wel of net niet op tijd in de winkel zijn, of zij raadt iets aan, er moet toch iets in de zak.
En thuis bruisen de meisjes van de ideeën en bereikt de opwinding een hoogtepunt – er is geen ruimte over. Haar gedachten worden in beslag genomen door wat aan wie te geven; wanneer het te kopen. Ze naait een speldenkussen voor het oudste kind. De stof heeft ze al maanden in huis, ze viel voor de felle kleuren en het grafische patroon. Samen met een doosje spelden met gekleurde knoppen en vier klosjes garen is dit een fijn cadeau. Ze bakt muffins waarin ze woorden verstopt. Vier woorden in cakejes met peperkoeksmaak, ze worden heerlijk het hele huis geurt ernaar. Welke woorden en voor wie, dat is tot het laatst een verrassing. En ze breekt zich het hoofd wat voor hém, de Zanger nog te kopen, en hoe daar nog een gedicht bij te schrijven.

De behoefte aan warmte en behaaglijkheid groeit met de dag. Zij fietst nog gauw even naar de winkel voor een stuk kaas, en verbaast zich erover dat midden op de dag de auto’s hun lichten aanhebben. Het blijft de hele dag donker, en het regent onophoudelijk. Soep trekken, lichtjes aansteken, iets warms te drinken en lekkers op tafel – daar gaat het nu om. De zinnen komen later weer. Vertrouwen op het geheimzinnige procédé: hoe ideeën en beelden hun weg naar buiten vinden en in zinnen op papier belanden.

De dag erna heeft het gesneeuwd; de eerste sneeuw van het jaar. De sensatie bij de aanblik van het dunne witte laagje op de daken aan de overkant is nergens mee te vergelijken. En de hemel strekt zich boven haar uit in alle diepdonkere wijdsheid. De sterren en de kleine maan laten zich eindelijk, al is het maar voor even, zien. Dit alles zorgt voor de helderheid die nodig is. En als ze beneden komt is het aanrecht opgeruimd en de tafel leeg, al het veel kleurige papier dat in slordige proppen op het vloerkleed lag is opgeruimd. Ze steekt een kaars aan en gaat zitten, ze pakt haar blauwe potlood. Later is de sneeuw gesmolten, maar dat geeft niet: iets van de lichtheid van de vroege ochtend, en de kinderlijke verrukking die zij heeft ervaren draagt ze de rest van de dag met zich mee.