De kieren van de dag

De tweede week kantelde het weer, dat sowieso heel grillig was. Er waren mensen die voortdurend de voorspellingen checkten op hun telefoon, maar Mia deed dat niet. Als ze de luiken had geopend van het grote oude huis, dan keek ze naar de lucht die blauw was of bewolkt of grijs en alles wat daartussen zat, genoot van het uitzicht met de heuvels in de verte, het licht dat telkens anders was.

Maar nu veranderde het werkelijk, de citroenboom die tot dan toe binnen stond omdat het zo hard waaide, hij had een eigen plekje in de tuinkamer aan de achterkant. Een mooie lichte kamer waar het zonnig was met openslaande deuren, de bijen konden er naar binnen vliegen, de boom leek wel te zoemen in zijn pot. De wind was gaan liggen, de kou uit de lucht verdwenen, en de boom met zijn gele vruchten was naar het balkon gereden. Het weer was gekanteld en het kantelde in haar. De roerloze zoemende toestand waarin ze was terechtgekomen was voorbij.

Mia werkt heel hard de laatste dagen. Geen dutjes meer, veel koffie – twee scheppen elke keer, de French press die ze in haar kamer heeft. Het is heel anders dan de eerste week, toen ze voortdurend naar de Proxi liep wanneer het stokte.

Pauline die de Proxi runt, zij werkt ook hard, haar winkel is behalve donderdag alle dagen open. Ze zet de kranten in het rek en rijdt het rek naar buiten. Ze kijkt en voelt welke groente nog een dag kunnen en of er bij de kaas iets bedorven is. Ze veegt het gangpad aan, soms wel vier keer op een dag afhankelijk van het weer. En Mia had daar uren doorgebracht op zoek naar inspiratie, de kleine épicerie in het buitenland, twee gangpaden, één stelling in het midden – het was fantastisch materiaal, als ze langs de schappen liep, was er telkens iets, iets specifieks dat haar in verrukking bracht. Maar nu is het voorbij, haar uitjes naar de Proxi zijn verleden tijd.

Ze heeft nog weinig tijd, ze voelt het hijgen in haar nek. Haar zinnen ongebreideld ongeremd te kunnen schrijven, ongestoord te werken in de mooie kamer met behang met uitzicht op de tuin. Niet alleen de kieren van de dag gebruiken zoals thuis, de de tijd die overblijft wanneer de dingen zijn gedaan van praktisch nut. Niet alleen de kieren maar de hele dag en alle dagen.

De stapels kladpapier, de boeken en papieren die zijn meegekomen. De koffer was heel zwaar, toen ze hem in Parijs, van het ene naar het andere station achter zich aan, een wieltje haperde het was een wonder dat-ie het had volgehouden. En in de trein die naar het zuiden ging, toen iemand had geholpen hem omhoog en in het rek te tillen, het bagagecompartiment voor grote koffers, het onderste vak stond al vol, iemand had het ding omhoog getild en zich daarna hardop afgevraagd of er soms bakstenen in zaten.

Het kladpapier van thuis ze schrijft het vol, en ook de dunne vellen die al naast de schrijfmachine lagen. De tomaatrode Remington die op tafel staat, hij maakt zo’n fijn geluid als ze de letters met een ferme klik op het papier – ze typt en schrijft, ze schrijft met potlood of met groene inkt, ze krijgt het warm, er komt geen einde aan, het breidt zich uit, net als het zoemen dat ze hoorde, het geluid dat eerst binnen en toen buiten was, ze schrijft het wordt steeds groter strekt zich uit, een roze bel, hij vult al gauw de hele kamer en het huis, de tuin het hele dorp.

Op de dag van haar vertrek een donderdag, legt Mia de volgetypte vellen netjes in een stapel naast de schrijfmachine. Ze heeft iets afgekregen net op tijd. Ze stift haar lippen, loopt naar de auberge op het plein. Het is half twee in de middag, ze krijgt een tafel bij het raam, bestelt de plat du jour, en een glas witte wijn.

Schuin aan de overkant zit een groepje mannen aan een lange tafel. Er is er één in overhemd met nette schoenen, hij heeft een map, een blauwe met een elastiek, die van de Proxi komt. Het schap met papier en schrijfwaren – ze was verheugd geweest toen ze het ontdekte. Naast hem zit een jonge vrouw, die Mia alleen van achteren ziet. Ze drinken wijn bij de lunch net als zij, als iedereen, ze zullen straks hun werk hervatten wat voor werk dan ook.

Haar eten wordt gebracht, het is eenvoudig maar uitstekend, ze eet met smaak en drinkt haar wijn en kijkt naar buiten. De druiven die over de pergola groeien staan al flink in blad, de zwaluwen vliegen over – ze vliegen hoog of laag en wat dat voor het weer betekent, dat kan ze niet onthouden. Ze kijkt naar buiten en daarna weer naar de mannen aan de lange tafel, die druk zijn met elkaar. Ze beziet de jonge vrouw, ze buigt zich naar de man die naast haar zit, degene in het overhemd. Dan ziet ze het, herkent ze haar: het is Pauline van de Proxi! De jonge vrouw die zo hard werkt, het uitje van de week, haar kier van deze dag.

En dan ziet zij, de vrouw die thuis ook heel hard werkt, een duidelijk stramien dat prettig is voor iedereen maar soms knellend wordt – ze ziet het helder. De kieren van de dag. Ze denkt aan de metalen schuifjes op de Remington die je kunt verstellen, ze zover naar het midden schuiven dat er aan de randen van een vel papier nog heel veel lege ruimte overblijft. Ze denkt: de kieren, de marges -ze zijn zo groot als je ze maakt.

Mia eet gauw de rest van de salade bij het hoofdgerecht, ze slaat dessert en koffie over. Haar trein vertrekt nu spoedig, ze moet haar koffer pakken. De mannen en Pauline van de Proxi lepelen hun panna cotta uit de kleine glazen schaaltjes, zij drinkt haar laatste wijn en vraagt de rekening. En terwijl ze wacht op de vriendelijke ober, de eigenaar van het etablissement – en in de verte staart weet ze dat er zich iets nieuws van binnen heeft gevormd. Fragiel en teer net als het kleine plantje in de muur die de grote tuin begrenst, het plantje dat daar onopvallend groeit als je het ziet als je goed kijkt, het groeit en zal niet stoppen want de wortels – ze zijn ijzersterk.