De mooiste schatten vind je als je goed kijkt

En dat het nu niet over schaamte ging, maar begon met een gordijn. Je had het op straat gevonden, de felgekleurde stof uit een container gevist. Je houdt daarvan, in containers gluren, de mooiste schatten vind je als je goed kijkt.

De linnen stof was nog helemaal intact en amper verkleurd. Op een ondergrond van dennengroen een abstract donkerblauw motief met grillige vormen en cirkels. En de metalen haakjes om ze op te hangen zaten er nog aan. De prachtige stof uit de container gered, gewassen en aan elkaar genaaid tot één grote lap die precies paste in de opening naar de keuken waar geen deur in zit.

De dochter schaamt zich voor haar moeder. Te grutten in andermans troep, hoe verzin je zoiets? Maar je wilt tijdens het koken en de wijn je eigen domein. Dat de eigenaardigheden van de mens, van deze vrouw aan het einde van de dag verborgen blijven. Dat er ruimte is voor fluïde gedachten, opdwarrelend al na één slok. En dan de zinnen in het gele boekje schrijven. Ongeremd, alsof je leven er vanaf hangt – je lijkt Delphine Lecompte wel, zij schrijft er boek na boek mee vol.
En hij zegt dat het schitterend is, en dat je vaker moet drinken voor je schrijft. Maar het is een spannende balans tussen de losheid van het moment en de helderheid om dit alles bij elkaar te houden. Op de scheidslijn van de de keuken waar je ingewikkelde gezonde maaltijden kookt, en de woonkamer met tieners op een nieuwe bank die heel mooi kleurt bij het blauw-groene gordijn.

Het begon met een gordijn, en later stond er een vrouw voor je neus te dansen. Het was in een jazzclub, het was al laat. Je had de meisjes gevraagd wat je aan zou trekken; een jurk met laarzen of sneakers eronder, dat wisten zij wel.

De vrouw droeg een lichte lange jas, zo’n jas voor binnen, een soort colbert. Ze had donker haar, de krullen losjes met spelden opgestoken, ze droeg geen make-up. En toen Hit de road jack werd gespeeld op saxofoon en viool, toen bewoog zij soepel, wiegde langzaam heen en weer, ze had haar ogen gesloten, een kleine glimlach om de mond. Ze was ouder, zeker tien jaar, maar leeftijd deed er niet toe, niet bij haar.
Ze maakte kleine pasjes in langzame cirkels, ze volgde haar eigen choreografie. Om haar heen de jonge mensen met de mobieltjes in hun hand, een grote vrouw met een zwart Nirvana t-shirt danste heel wild. En zij, deze vrouw die jouw aandacht kreeg, zij leek dit alles niet op te merken, alsof ze alleen was. Ze had een onzichtbaar gordijn opgetrokken tussen haar en de wereld.

En toen sloeg zij haar ogen op, ze nipte van haar glas en ving jouw blik, even kruiste er iets, en toen dacht je: we doen precies hetzelfde. Aan de bar zitten en het tafereel gadeslaan, de observaties noteren in het gele boekje. Ook jij zit steeds weer in een eigen ruimte. Een nieuw fragment schrijven in een verhaal dat groeit. De mensen, de drank, de luide muziek die in je oren schalt – het maakt niet uit. De toeschouwer zijn, dingen zien die anders verborgen blijven.

Ook traag bewegen is bewegen

Op maandagochtend verstrikt raken in het web van praktische zaken, dan lekt de daadkracht weg. Diagonaal op het gebloemde dekbed gaan liggen met alleen een onderbroek aan en een oud hemdje zonder beha, verder lezen in Miranda July – op zo’n moment zit er niets anders op.

De naamloze hoofdpersoon in haar nieuwe roman* is van plan een reis te maken van Los Angeles naar New York, in haar eentje met de auto van west naar oost. Maar op de eerste dag strandt ze in een motel op een half uur rijden van huis, ze blijft daar ruim twee weken. Het begint ermee dat ze de sleetse hotelkamer renoveert. Dus niet alleen de meubels verplaatsen en een nieuwe sprei, maar ook: nieuwe gordijnen van chique stof, ander behang met een motief van dahlia’s en pioenrozen; zelfs de tegels in de badkamer laat ze vervangen. Dit alles gebeurt in een opwelling, ze was het niet van plan, maar het werkt inspirerend, op een heel specifieke manier.

Je rolt op je buik en kijkt de slaapkamer rond. Het valt je in dat het lang geleden is, minstens een jaar, dat deze kamer opnieuw werd ingericht. Je houdt daarvan, van de hele boel omgooien, dat was als kind al zo en is nooit veranderd. Niet speciaal de slaapkamer, maar alle kamers in huis, je doet het voortdurend, daar kijkt niemand meer van op.

Het zijn allemaal omtrekkende bewegingen – ook bij haar, bij het naamloze personage van Miranda July. Maar omtrekkende bewegingen zijn ook bewegingen, en alles is bedoeld om ruimte te maken. Niet stil blijven staan!

Schuiven met het piepkleine bureau dat voor het raam stond en altijd vol ligt: interviews met schrijvers, recensies over boeken die je nog wilt lezen maar nooit leest. Het bureau tegen de witte muur zetten, geen uitzicht naar buiten, dat leidt maar af. Annie Dillard beschrijft in haar verzamelde essays** dat haar werkkamer uitziet op een blinde muur, omdat ze anders haar focus kwijtraakt. Je hoopt dat het helpt. En onder het schuine dakraam schuif je de lange smalle tafel die van de kringloop kwam, je kreeg hem voor de helft, hij stond er al een tijd. Alle papieren en boeken, alles wat nodig is krijgt een plek, zo lijkt het heel wat.

Een nieuw perspectief creëren; het is een soort verhuizen maar dan zonder het gedoe.

Een werkplek laten ontstaat waar iets van uítgaat. Waar je in gedachten naartoe kunt gaan, ook als je ergens anders bent. Als je bijvoorbeeld boeken aan het verkopen bent, je opwindt over de btw. Dat je de volgende dag, of misschien ’s avonds al, terug kunt gaan naar die fijne nieuwe ruimte waar alles nog precies zo ligt als je het had achtergelaten, en waar de woorden vanzelf zullen komen. Dat je als een echte schrijver doordachte teksten schrijft waar je uren achtereen aan werkt. En hoe je dan later, de tekst geprint in nette stapeltjes op het bureau, hoe je dan in een comfortabele stoel bij het raam gaat zitten lezen. Het werk van vrouwen die je bewondert, het lezen in de oorspronkelijke taal, dat spreekt voor zich. Je wordt hier niet gestoord, en het zachte licht van de avond valt zo mooi in.

Je rolt weer terug op je rug, het boek vlak boven je ogen, scherpstellen gaat moeilijk, je trekt een frons.

Dan denk je: het gaat er niet om hóe het ontstaat. Het gaat om het zoeken, het tasten – en dat is niet lineair. Dat de nieuwe werkplek helpt valt niet te ontkennen, maar het procedé is hetzelfde, het blijft net als daarvoor. Van zinnen verzamelen waar en hoe je gaat, in je onderbroek tijdens het stofzuigen, de afwas, de was.

Het gaat erom de dingen te zién, te luisteren wat vanbinnen wordt aangeraakt. Een piepklein webje van een spin in de vroege ochtend, de minuscule druppeltjes glinsteren aan de fragiele draden. Een klein kunstwerk dat nog niemand zag. Waartoe het leidt, dat blijkt pas achteraf, soms jaren nadien. Zo traag als een slak voortbewegen. Maar ook traag bewegen is bewegen.

* Miranda July, All Fours, vertaald door Gerda Baardman en Lydia Meeder, De Bezige Bij, 2024

** Annie Dillard, Schrijversleven. Essays, vertaald door Henny Corver, Atlas Contact, 2022

Je wilt niet zo’n moeder zijn

Klaarzitten met thee – die neiging heb je nog steeds, al gaan ze inmiddels naar de middelbare school. Bij thuiskomst direct naar boven lopen met hun laptop, dat is wat ze nu doen. De thee die klaarstond op het blad koelt af, de appel wordt bruin. Ze zijn je vooruit gesneld, je houdt het niet bij, wanneer is dit gebeurd? Op hun kamer in de eigen wereld verdwijnen, en als je voorzichtig aanklopt om te vragen hoe het is, hoe de schooldag was, of ze nog iets nodig hebben, dan stoor je hen – je hebt het gevoel dat je ze betrapt, waarop weet je niet. Je wilt niet zo’n moeder zijn.
Je moet je inhouden om niet steeds te vragen hoe het gaat. Als ze helemaal niets zeggen. Dat houdt soms wel twee dagen aan, je dwingt je om je mond te houden. En daarna weer intunen alsof er niets aan de hand was, dan wordt er met geen woord gerept over het zwijgen – wat er was, daar kom je niet achter. En je denkt dat tieners – zeg geen pubers, zo’n specifiek Nederlands woord met een veel te negatieve lading – je denkt dat ze hun geheimen mogen hebben, die heb je zelf immers ook.
Naar boven lopen om de was op te hangen terwijl hij intussen de afwas doet. Achter de schrijftafel een chocoladereep eten die je in de bovenste lade bewaart. Uit het raam staren, de lichte lucht, het voorjaar; geen wolken, alles blauw en ijl en weids. Je wilt niet zo’n moeder zijn die steeds vraagt hoe het gaat.

En na de koffie in alle vroegte als de dag ontwaakt, teruggaan naar bed en Alice Munro lezen. De deur van de slaapkamer sluiten en je aan de verplichtingen van de ochtend onttrekken. Regen op het raam. De beschutting die een dag van regen in het voorjaar biedt. Het liefst de hele dag in bed lezen zoals je vroeger deed, in de kleine kamer in Amsterdam met de groene vloerbedekking, waar de houten twijfelaar nauwelijks paste. Toen je nog in één dag een boek uitlas.

Alice Munro won met haar korte verhalen de Nobelprijs voor Literatuur en vele andere prijzen, een paar dagen eerder is ze overleden. Naar verluidt huurde zij toen de kinderen klein waren een werkkamer, ze ging daar een jaar lang elke dag naartoe, maar kreeg al die tijd geen letter op papier. Pas toen ze in de boekhandel van haar man ging werken, toen kwamen de verhalen los.

Er staat één bundel in de boekenkast op de logeerkamer, het is een ongecorrigeerd exemplaar dat je van de uitgever kreeg, dat is al jaren geleden. Munro schrijft over alledaagse situaties, over gewone levens. Levens die met sprekende details en treffende beelden worden ingekleurd. Niet benoemen, maar invoelbaar maken, een briljant voorbeeld van show don’t tell. En dan laat ze je plots opveren, dan gebeurt er iets dat je niet had voorzien, en dat de situatie in een heel ander licht plaatst. Er waren eerder aanwijzingen, subtiele verschuivingen die nu leiden tot iets groots. Je merkt dat niet direct op. Pas terugkijkend kun je een leven overzien en denken: toen was het al begonnen.

En het lijkt alsof het moeiteloos is opgeschreven, maar je weet: dat is niet waar, dat is nooit zo. Een groot talent en vakmanschap komen hier samen. Waarom las je haar werk niet eerder; waarom las je niet alles wat ze schreef?

Van beneden het geluid van lepels in witte kommen. Lezen in bed, schrijven in het grijze nachthemd dat haast versleten is maar zo lekker zit. Gaan zitten en je potlood slijpen, de geur van de nacht nog om je heen. Zo’n moeder wil je zijn.