De groene inkt die geduldig is en op je wacht

Als je om half zeven ’s ochtends naar het water loopt. Hoe dan de lange schaduw, als de zon nog laag en je van achteren beschenen wordt en traag lijkt te bewegen, de contouren zijn nog niet scherp. Je probeert dat wel, scherpstellen, heel precies kijken, de lijn duidelijk te zien, maar het lukt niet, je krijgt het niet goed in beeld. Het verhaal dat je wilt vertellen.

Als het eindelijk zomer is en zo groen en hoe je de woorden zoekt als je stilstaat aan de waterkant. Het water is ook heel groen door de groene bomen die gespiegeld worden in het heldere vlak, nog niet beroerd het is nog vroeg en je staat naakt en sluit je ogen en alles is nog zacht. En je zoekt de woorden. Het blad nog vochtig van de nacht, de dauw, de regen is eindelijk opgehouden maar het water staat heel hoog, veel hoger dan normaal, het was in honderd jaar niet zo nat, maar nu is het droog en schijnt de zon en sta je met je voeten in het water en is het licht zo vroeg nog heel zacht.

Je zoekt naar scherpte, de dingen pregnant te zeggen. Wat is eigenlijk het verhaal dat je wilt vertellen, in en om het huis. Dat je er een dag of dagen over doet om één zin te schrijven, het juiste woord te kiezen. Of dat je naakt blijft rondzwemmen, als een kikker door het water glijdt, je ziet het niet, de woorden blijven uit. Je zwemt, je maakt een wandeling die in je benen zit, in de hoop dat ze komen maar er is te veel geluid, je hoofd zit vol.

En dan is de groene inkt geduldig, het potje dat op de schrijftafel op je wacht.

Het was een zonnige dag, die keer in Parijs – geen wolken, alleen blauw – toen hij de Place de la Bastille koos om zijn lied te laten klinken. Toen was hij na afloop naar de speciale winkel gefietst, een winkel die al meer dan honderd jaar bestaat en waar ze pennen verkopen en inkt in alle kleuren.

Het is een bijzondere soort, deze inkt, hij is onuitwisbaar, de woorden die ermee geschreven worden blijven, ze kunnen niet door regen of tranen worden uitgewist. De details stromen naar buiten vanwege het genoegen ze op te schrijven; de roomwitte pagina’s te vullen met woorden in groen. Zo word je voortdurend meegevoerd, een ketting van beelden rijgt zich aaneen.

En als je in de avond op het bankje bij de achterdeur, de tintelfrisse drank die groen in zich draagt, de zinnen te laten breken uit hun dagelijkse stramien. Niet zwemmen, niet lopen maar dit. Dan denk je weet je dat de teksten steeds opnieuw bevochten moeten worden; ze waren er niet, en jij moet ze schrijven. Dan valt de gedachte in waar je de hele tijd naar zocht, als de ijsvogel aan de waterkant die je eerst niet zag. Je denkt een zanger zingt, een schrijver schrijft. Hij volgt en jij creëert iets nieuws.

De mooiste schatten vind je als je goed kijkt

En dat het nu niet over schaamte ging, maar begon met een gordijn. Je had het op straat gevonden, de felgekleurde stof uit een container gevist. Je houdt daarvan, in containers gluren, de mooiste schatten vind je als je goed kijkt.

De linnen stof was nog helemaal intact en amper verkleurd. Op een ondergrond van dennengroen een abstract donkerblauw motief met grillige vormen en cirkels. En de metalen haakjes om ze op te hangen zaten er nog aan. De prachtige stof uit de container gered, gewassen en aan elkaar genaaid tot één grote lap die precies paste in de opening naar de keuken waar geen deur in zit.

De dochter schaamt zich voor haar moeder. Te grutten in andermans troep, hoe verzin je zoiets? Maar je wilt tijdens het koken en de wijn je eigen domein. Dat de eigenaardigheden van de mens, van deze vrouw aan het einde van de dag verborgen blijven. Dat er ruimte is voor fluïde gedachten, opdwarrelend al na één slok. En dan de zinnen in het gele boekje schrijven. Ongeremd, alsof je leven er vanaf hangt – je lijkt Delphine Lecompte wel, zij schrijft er boek na boek mee vol.
En hij zegt dat het schitterend is, en dat je vaker moet drinken voor je schrijft. Maar het is een spannende balans tussen de losheid van het moment en de helderheid om dit alles bij elkaar te houden. Op de scheidslijn van de de keuken waar je ingewikkelde gezonde maaltijden kookt, en de woonkamer met tieners op een nieuwe bank die heel mooi kleurt bij het blauw-groene gordijn.

Het begon met een gordijn, en later stond er een vrouw voor je neus te dansen. Het was in een jazzclub, het was al laat. Je had de meisjes gevraagd wat je aan zou trekken; een jurk met laarzen of sneakers eronder, dat wisten zij wel.

De vrouw droeg een lichte lange jas, zo’n jas voor binnen, een soort colbert. Ze had donker haar, de krullen losjes met spelden opgestoken, ze droeg geen make-up. En toen Hit de road jack werd gespeeld op saxofoon en viool, toen bewoog zij soepel, wiegde langzaam heen en weer, ze had haar ogen gesloten, een kleine glimlach om de mond. Ze was ouder, zeker tien jaar, maar leeftijd deed er niet toe, niet bij haar.
Ze maakte kleine pasjes in langzame cirkels, ze volgde haar eigen choreografie. Om haar heen de jonge mensen met de mobieltjes in hun hand, een grote vrouw met een zwart Nirvana t-shirt danste heel wild. En zij, deze vrouw die jouw aandacht kreeg, zij leek dit alles niet op te merken, alsof ze alleen was. Ze had een onzichtbaar gordijn opgetrokken tussen haar en de wereld.

En toen sloeg zij haar ogen op, ze nipte van haar glas en ving jouw blik, even kruiste er iets, en toen dacht je: we doen precies hetzelfde. Aan de bar zitten en het tafereel gadeslaan, de observaties noteren in het gele boekje. Ook jij zit steeds weer in een eigen ruimte. Een nieuw fragment schrijven in een verhaal dat groeit. De mensen, de drank, de luide muziek die in je oren schalt – het maakt niet uit. De toeschouwer zijn, dingen zien die anders verborgen blijven.

Ook traag bewegen is bewegen

Op maandagochtend verstrikt raken in het web van praktische zaken, dan lekt de daadkracht weg. Diagonaal op het gebloemde dekbed gaan liggen met alleen een onderbroek aan en een oud hemdje zonder beha, verder lezen in Miranda July – op zo’n moment zit er niets anders op.

De naamloze hoofdpersoon in haar nieuwe roman* is van plan een reis te maken van Los Angeles naar New York, in haar eentje met de auto van west naar oost. Maar op de eerste dag strandt ze in een motel op een half uur rijden van huis, ze blijft daar ruim twee weken. Het begint ermee dat ze de sleetse hotelkamer renoveert. Dus niet alleen de meubels verplaatsen en een nieuwe sprei, maar ook: nieuwe gordijnen van chique stof, ander behang met een motief van dahlia’s en pioenrozen; zelfs de tegels in de badkamer laat ze vervangen. Dit alles gebeurt in een opwelling, ze was het niet van plan, maar het werkt inspirerend, op een heel specifieke manier.

Je rolt op je buik en kijkt de slaapkamer rond. Het valt je in dat het lang geleden is, minstens een jaar, dat deze kamer opnieuw werd ingericht. Je houdt daarvan, van de hele boel omgooien, dat was als kind al zo en is nooit veranderd. Niet speciaal de slaapkamer, maar alle kamers in huis, je doet het voortdurend, daar kijkt niemand meer van op.

Het zijn allemaal omtrekkende bewegingen – ook bij haar, bij het naamloze personage van Miranda July. Maar omtrekkende bewegingen zijn ook bewegingen, en alles is bedoeld om ruimte te maken. Niet stil blijven staan!

Schuiven met het piepkleine bureau dat voor het raam stond en altijd vol ligt: interviews met schrijvers, recensies over boeken die je nog wilt lezen maar nooit leest. Het bureau tegen de witte muur zetten, geen uitzicht naar buiten, dat leidt maar af. Annie Dillard beschrijft in haar verzamelde essays** dat haar werkkamer uitziet op een blinde muur, omdat ze anders haar focus kwijtraakt. Je hoopt dat het helpt. En onder het schuine dakraam schuif je de lange smalle tafel die van de kringloop kwam, je kreeg hem voor de helft, hij stond er al een tijd. Alle papieren en boeken, alles wat nodig is krijgt een plek, zo lijkt het heel wat.

Een nieuw perspectief creëren; het is een soort verhuizen maar dan zonder het gedoe.

Een werkplek laten ontstaat waar iets van uítgaat. Waar je in gedachten naartoe kunt gaan, ook als je ergens anders bent. Als je bijvoorbeeld boeken aan het verkopen bent, je opwindt over de btw. Dat je de volgende dag, of misschien ’s avonds al, terug kunt gaan naar die fijne nieuwe ruimte waar alles nog precies zo ligt als je het had achtergelaten, en waar de woorden vanzelf zullen komen. Dat je als een echte schrijver doordachte teksten schrijft waar je uren achtereen aan werkt. En hoe je dan later, de tekst geprint in nette stapeltjes op het bureau, hoe je dan in een comfortabele stoel bij het raam gaat zitten lezen. Het werk van vrouwen die je bewondert, het lezen in de oorspronkelijke taal, dat spreekt voor zich. Je wordt hier niet gestoord, en het zachte licht van de avond valt zo mooi in.

Je rolt weer terug op je rug, het boek vlak boven je ogen, scherpstellen gaat moeilijk, je trekt een frons.

Dan denk je: het gaat er niet om hóe het ontstaat. Het gaat om het zoeken, het tasten – en dat is niet lineair. Dat de nieuwe werkplek helpt valt niet te ontkennen, maar het procedé is hetzelfde, het blijft net als daarvoor. Van zinnen verzamelen waar en hoe je gaat, in je onderbroek tijdens het stofzuigen, de afwas, de was.

Het gaat erom de dingen te zién, te luisteren wat vanbinnen wordt aangeraakt. Een piepklein webje van een spin in de vroege ochtend, de minuscule druppeltjes glinsteren aan de fragiele draden. Een klein kunstwerk dat nog niemand zag. Waartoe het leidt, dat blijkt pas achteraf, soms jaren nadien. Zo traag als een slak voortbewegen. Maar ook traag bewegen is bewegen.

* Miranda July, All Fours, vertaald door Gerda Baardman en Lydia Meeder, De Bezige Bij, 2024

** Annie Dillard, Schrijversleven. Essays, vertaald door Henny Corver, Atlas Contact, 2022