De deur kan nog niet dicht

Iemand zei dat mijn eigen ruimte niet groot genoeg is. Er was daar geen deur die dicht kon, het was onduidelijk waar de ruimte eindigde of begon. Nu staat mijn schrijftafel in een kamer waar een deur dicht kan; op het bureautje ligt een groene onderlegger omdat het blad afbladdert en ik splinters in mijn vingers kreeg. Na het ontbijt bak ik een bananenbrood, daarna snel ik naar boven; op de hielen gezeten door iets dat ik zelf niet snap. Ik trek de deur achter mij dicht, pak mijn potlood en begin. Waar het toe leidt weet niemand, of het iets is blijft twijfelachtig. Zelfs Sylvia Plath vroeg zich geregeld af: is het geniaal of waardeloos wat ik schrijf.

Ik had me al eerder voorgenomen te schrijven over het jongste kind, maar de aandacht ging steeds uit naar iets anders. Het onderwerp kiest zich vaak zelf, zo bleek telkens weer. Dat jongste kind dat zich aanpast, het is haar lot dat zij opgroeit in een gezin waar altijd iets aan de hand is. En soms barst ze uit als een vulkaan, dan stroomt het over. Ik moet dan denken aan het proefje in de klas: er waren bergen van klei gebouwd, en er werd iets met baksoda en kleurstof gedaan. Daarna kolkte het in felle kleuren, rood en groen, als lava stroomde de substantie naar buiten.

Ik wilde schrijven over het kind dat alleen met de trein naar opa en oma gaat. Dat wilde ze heel graag. Ik zette haar in Amsterdam af en zag hoe zich behaaglijk in de coupé nestelde. Ik zwaaide haar uit, de trein vertrok, daar ging ze. Het station was nog verlaten, de zon scheen fel onder de overkapping door naar binnen.

Over het kind dat een musical-workshop volgt in het theater in de stad. De ouders mogen niet mee naar binnen. Bij de deur nemen we afscheid, ze kijkt niet meer om. Na vier dagen wordt er een film van de uitvoering gestuurd. Op de achterste rij staat ons kind, ze kent alle teksten, zingt alle liedjes uit haar hoofd. Er werd gevraagd of ze al op de middelbare school zit; ze is tien.

En over het kind dat mij opzoekt op mijn werk. Hoe ze als het druk is zelfverzekerd tussen de mensen rondloopt, met het kleine blauwe tasje dat ze kruislings over haar schouder draagt. Mama, deze boeken wil ik nog lezen. Ze heeft het opgeschreven. Wanneer het rustig is laat ik haar een klant helpen, ze mag een boek inpakken, ze gloeit van trots. Overdag kan dit kind alles.

Maar in de avond kan ze niet kan slapen, dan ligt ze met haar ogen opengesperd te kijken naar het plafond. Het wordt heel laat, ze komt naar boven en kruipt met haar warme lijfje als een diertje tegen mij aan. Dan is ze zo vertrokken. Overdag kan zij alles, maar om te slapen heeft ze mij nodig. Dan kan de deur van de kamer nog niet dicht.

Mythologie

Het is zonnig en aangenaam weer, de kou is eindelijk uit de lucht. Later onweert het, dan trekken grijze wolken voorbij en spatten dikke druppels op het raam. Aan tafel maken de kinderen een kruiswoordpuzzel: ze verzinnen woorden en schrijven ze in een raster tot het klopt. Het onderwerp is Noormannen; het woord dat geraden moet worden mythologie.

De verhalen uit een jeugd zijn gestolde momenten in de tijd. Niemand komt ongeschonden de kindertijd door; ben je eenmaal volwassen, dan laat je het achter en creëert je eigen mythologie. De trollen en kobolden blijven daar, waar het schuurde probeer je te vergeten. Je herinnert je vooral de glanzende stenen: Hoe je de afwas deed met je vader, avond aan avond het vaste ritueel dat zo prettig was. Samen zwijgend in de nieuwe keuken, met het zwart marmeren aanrecht en het kleine rode trapje om bij de bovenste planken van de hoge kastjes te kunnen. Hoe je je moeder opzocht op het Zweedse eiland. Jullie ontmoetten elkaar na drie maanden op het bankje voor het kleine vliegveld, en logeerden in een klein rood huis op het land van een schapenboer. En hoe je op zolder met je broer naar INXS luisterde, naast elkaar liggend op het brede matras en samen rokend, hij had toen kleine vlechtjes in zijn haar.

Welke verhalen worden nu verteld? In dit huis, dat gevuld is met de verhalen van anderen; waar in elke kamer boeken liggen, in stapels naast het bed en overal. Het verhaal van de moeder, die zo idioot vroeg opstond. En hoe ze geregeld door het plafond vloog van ergernis en uit ongeduld begon te gillen. Hoe er tijdens de jaarlijkse aspergemaaltijd ergens iets was misgegaan, waardoor zij met een hoofd vol chagrijn voor zich uit staart en niks meer zegt. Niemand weet wat er aan de hand is, na het eten vertrekt ze zwijgend naar boven.

Of het verhaal van de moeder die nog naar beneden gaat om kikkererwten in de week te zetten; het ene kind eet die met rijst voor het ontbijt. Vlak voor zij in slaap was, viel het haar in dat ze dat was vergeten. En dat zij er de volgende ochtend aan denkt dat het schrift met de spreekbeurt over Noormannen mee naar school moet. Mam, je bent de redder in nood; vanmiddag koop ik een chocoladereep voor je.

En wat wordt door deze kinderen meegenomen naar later, wat blijft er over? Ze delen een huis, ouders en de tijd – en later schrijven zij hun eigen verhaal, creëren de mythologie van hun kindertijd.

Het voorjaar trekt een groene sluier over de bomen

Het is alles bij elkaar een ingewikkeld procedé. Het begint met het afdrukken van het patroon, dat in losse pagina’s uit de printer rolt. Deze grote ingewikkelde puzzel spreid je uit op de vloer in de voorkamer; waar het dagen ligt te wachten. Niemand mag er komen, dan raakt het in de war. Heb je het eenmaal precies uitgeknipt en aan elkaar geplakt, dan lijkt het iets, en wanneer je de patroondelen op de stof legt ziet het er heel echt uit. Al is het nog steeds moeilijk voor te stellen dat dit straks iets wordt dat om je lichaam past, dat jij het werkelijk kunt dragen.

De stof ligt al jaren te wachten. Het is een terugkerend patroon van zacht rode bloemen, en groene stelen als slordige vegen op een lichte ondergrond. Er waren andere stoffen uit de erfenis van je oma, waar je wel eens een jasje en broek voor de kinderen van naaide toen ze nog klein waren, De restjes gebruikten zij om kleertjes voor hun poppen van te maken. Alle lappen waren van dezelfde hoogwaardige kwaliteit, en van een tijdloze schoonheid. Je kon veel van je oma zeggen, maar ze had onmiskenbaar een verfijnde artistieke smaak. Ze was in feite geen oma, maar ook weer wel want je had geen andere gekend.

De lichte stof met de bloemen had je altijd bewaard, je was gevallen voor het motief en de kleuren, je had meteen geweten dat je hier iets voor jezelf van wilde maken. Misschien kon je er een zomerjurk uithalen. Maar iets had je weerhouden om te beginnen. Je had je gescheiden vriendin nodig, die de weekenden nu doorbracht in een appartement, zonder haar kinderen, om het project aan te vatten.

Buiten is het koud, in de nachten vriest het nog steeds, maar overdag is het zonnig en licht. Het voorjaar trekt een groene sluier over de bomen; de magnolia’s bloeien al weken. Binnen liggen de papieren patroondelen en de uitgeknipte onderdelen van de stof klaar; er slingeren scharen en speldenkussens en meetlinten rond. Op tafel zoemt de naaimachine.

Je moet aan je moeder denken, die deze stof na het overlijden van oma voor je meebracht. Er was bij het leeghalen van het huis veel tevoorschijn gekomen. Er waren grote hoeveelheden schoonmaakmiddelen, heel veel kaarsen. En ook geld; er lagen briefjes van vijftig euro verspreid door het huis. Verstopt in kastjes en zakken van jurken was het bij elkaar meer dan duizend euro geweest – daar wist opa niets van. Oma had de stoffen besteld bij een chique firma. Ze moet toen al geweten hebben dat zij er zelf niets meer mee zou doen, haar zicht werd steeds slechter, maar evengoed bestelde ze de dure stoffen nog steeds.

En meer dan dertig jaar later zet jij in het kleine, maar verzorgde lichte appartement, aan de rand van de stad, je schaar in de prachtige stof. Terwijl je denkt aan je moeder, en aan je oma, rijg je de losse delen aan elkaar zodat ze een nieuw geheel vormen.