De specht die zich liet vangen door jouw blik

De rommeligheid in huis – je kunt het haast niet verdragen. Het lijkt alsof de troep van anderen je als een monster bespringt, vanbinnen schiet het van links naar rechts, het put je uit. Elke ochtend zwemmen dat is iets; de daadkracht van de vroege ochtend houdt je op de been. Maar zodra je thuiskomt word je aan het wankelen gebracht, dan begin je alweer te gillen of kruipt huilend in een hoekje. Je haar zit slecht, er komt niks uit je handen.

Hoe de creatieve ruimte in je hoofd steeds kleiner wordt, het krimpt ineen totdat er niets meer over is. Hoe je probeert iets te grijpen – terwijl je reddert en poetst en doet, de plastic bakjes ordent in de lade onder het aanrecht – dat langzaam verdwijnt.

Een kind komt naar boven als je net één zin wilt schrijven, er zit een beest op haar spiegel, je bent bang voor spinnen maar je overwint de angst, je zet het diertje buiten, je bent haar moeder, voor haar ben je een held.

En in de avond ben je speciaal opgebleven om naar de radio te luisteren. Het wordt al donker, op tafel brandt een kaars. Hij was gevraagd om over het festival* te komen praten. Over de concerten in kerken en op pleinen, de workshops, de openbare lessen door specialisten in het genre. Zich onder te dompelen in de barokmuziek in alle glorie in een provinciestad ver van huis. Met het oudste kind aan tafel te zitten, zijn stem vanuit de studio in Hilversum klinkt vreemd en toch vertrouwd door de kamer. Hij was nerveus maar daar is niets van te merken. Hij weet wat hij waard is en waarover hij spreekt.

Nog later zit je in pyjama achter je bureau. De regen striemt tegen het schuine raam, je kijkt naar buiten maar ziet niets het is nacht. Het kind mist haar vader die steeds verder reikt en hoger vliegt.

En de volgende ochtend fiets je weer naar het water. Elke dag gaan ook als het heel hard waait, als de wijde broek wappert om je benen, de regen in de lucht, als er bijna niemand is. Alleen de oudere dames, voor hen is dit alles al achter de rug, zij zwemmen het hele jaar. Ze waarschuwen dat de wind landinwaarts staat, en dat de golven in je gezicht zullen slaan. Het maakt niet uit. De armen en benen te voelen, het lichaam dat slank en stevig is, en ondanks alles zijn kracht niet is verloren. Je er doorheen te werken, proestend en spattend, het zoete water dat golft als de zee.

En dan te voelen dat hier de creatieve ruimte zit. Dat de woorden vrijelijk komen als je fietst of wandelt of door het water gaat. De zinnen die je zult polijsten als je achter de schrijftafel zit.

En als je terugloopt over het schelpenpad, als de voeten nog bloot, het lichaam warm ingepakt, twee vesten over elkaar – als je dan de specht ziet die elke dag klonk vanuit dezelfde boom, maar die zich niet liet vangen door jouw blik, dan houd je stil. Telkens hetzelfde pad, de wandeling die in je benen zit, de herhaling die een ijkpunt vormt in een overvol leven. Scherp observeren, structuur aanbrengen in wat rommelig lijkt. Naast een man die steeds verder reikt en hoger vliegt is dit wat hier gebeurt – heel dichtbij huis.

* Het Internationaal Barok Festival Zutphen, georganiseerd door Johannette Zomer, vindt plaats van 10-14 juli.

De groene inkt die geduldig is en op je wacht

Als je om half zeven ’s ochtends naar het water loopt. Hoe dan de lange schaduw, als de zon nog laag en je van achteren beschenen wordt en traag lijkt te bewegen, de contouren zijn nog niet scherp. Je probeert dat wel, scherpstellen, heel precies kijken, de lijn duidelijk te zien, maar het lukt niet, je krijgt het niet goed in beeld. Het verhaal dat je wilt vertellen.

Als het eindelijk zomer is en zo groen en hoe je de woorden zoekt als je stilstaat aan de waterkant. Het water is ook heel groen door de groene bomen die gespiegeld worden in het heldere vlak, nog niet beroerd het is nog vroeg en je staat naakt en sluit je ogen en alles is nog zacht. En je zoekt de woorden. Het blad nog vochtig van de nacht, de dauw, de regen is eindelijk opgehouden maar het water staat heel hoog, veel hoger dan normaal, het was in honderd jaar niet zo nat, maar nu is het droog en schijnt de zon en sta je met je voeten in het water en is het licht zo vroeg nog heel zacht.

Je zoekt naar scherpte, de dingen pregnant te zeggen. Wat is eigenlijk het verhaal dat je wilt vertellen, in en om het huis. Dat je er een dag of dagen over doet om één zin te schrijven, het juiste woord te kiezen. Of dat je naakt blijft rondzwemmen, als een kikker door het water glijdt, je ziet het niet, de woorden blijven uit. Je zwemt, je maakt een wandeling die in je benen zit, in de hoop dat ze komen maar er is te veel geluid, je hoofd zit vol.

En dan is de groene inkt geduldig, het potje dat op de schrijftafel op je wacht.

Het was een zonnige dag, die keer in Parijs – geen wolken, alleen blauw – toen hij de Place de la Bastille koos om zijn lied te laten klinken. Toen was hij na afloop naar de speciale winkel gefietst, een winkel die al meer dan honderd jaar bestaat en waar ze pennen verkopen en inkt in alle kleuren.

Het is een bijzondere soort, deze inkt, hij is onuitwisbaar, de woorden die ermee geschreven worden blijven, ze kunnen niet door regen of tranen worden uitgewist. De details stromen naar buiten vanwege het genoegen ze op te schrijven; de roomwitte pagina’s te vullen met woorden in groen. Zo word je voortdurend meegevoerd, een ketting van beelden rijgt zich aaneen.

En als je in de avond op het bankje bij de achterdeur, de tintelfrisse drank die groen in zich draagt, de zinnen te laten breken uit hun dagelijkse stramien. Niet zwemmen, niet lopen maar dit. Dan denk je weet je dat de teksten steeds opnieuw bevochten moeten worden; ze waren er niet, en jij moet ze schrijven. Dan valt de gedachte in waar je de hele tijd naar zocht, als de ijsvogel aan de waterkant die je eerst niet zag. Je denkt een zanger zingt, een schrijver schrijft. Hij volgt en jij creëert iets nieuws.

De mooiste schatten vind je als je goed kijkt

En dat het nu niet over schaamte ging, maar begon met een gordijn. Je had het op straat gevonden, de felgekleurde stof uit een container gevist. Je houdt daarvan, in containers gluren, de mooiste schatten vind je als je goed kijkt.

De linnen stof was nog helemaal intact en amper verkleurd. Op een ondergrond van dennengroen een abstract donkerblauw motief met grillige vormen en cirkels. En de metalen haakjes om ze op te hangen zaten er nog aan. De prachtige stof uit de container gered, gewassen en aan elkaar genaaid tot één grote lap die precies paste in de opening naar de keuken waar geen deur in zit.

De dochter schaamt zich voor haar moeder. Te grutten in andermans troep, hoe verzin je zoiets? Maar je wilt tijdens het koken en de wijn je eigen domein. Dat de eigenaardigheden van de mens, van deze vrouw aan het einde van de dag verborgen blijven. Dat er ruimte is voor fluïde gedachten, opdwarrelend al na één slok. En dan de zinnen in het gele boekje schrijven. Ongeremd, alsof je leven er vanaf hangt – je lijkt Delphine Lecompte wel, zij schrijft er boek na boek mee vol.
En hij zegt dat het schitterend is, en dat je vaker moet drinken voor je schrijft. Maar het is een spannende balans tussen de losheid van het moment en de helderheid om dit alles bij elkaar te houden. Op de scheidslijn van de de keuken waar je ingewikkelde gezonde maaltijden kookt, en de woonkamer met tieners op een nieuwe bank die heel mooi kleurt bij het blauw-groene gordijn.

Het begon met een gordijn, en later stond er een vrouw voor je neus te dansen. Het was in een jazzclub, het was al laat. Je had de meisjes gevraagd wat je aan zou trekken; een jurk met laarzen of sneakers eronder, dat wisten zij wel.

De vrouw droeg een lichte lange jas, zo’n jas voor binnen, een soort colbert. Ze had donker haar, de krullen losjes met spelden opgestoken, ze droeg geen make-up. En toen Hit de road jack werd gespeeld op saxofoon en viool, toen bewoog zij soepel, wiegde langzaam heen en weer, ze had haar ogen gesloten, een kleine glimlach om de mond. Ze was ouder, zeker tien jaar, maar leeftijd deed er niet toe, niet bij haar.
Ze maakte kleine pasjes in langzame cirkels, ze volgde haar eigen choreografie. Om haar heen de jonge mensen met de mobieltjes in hun hand, een grote vrouw met een zwart Nirvana t-shirt danste heel wild. En zij, deze vrouw die jouw aandacht kreeg, zij leek dit alles niet op te merken, alsof ze alleen was. Ze had een onzichtbaar gordijn opgetrokken tussen haar en de wereld.

En toen sloeg zij haar ogen op, ze nipte van haar glas en ving jouw blik, even kruiste er iets, en toen dacht je: we doen precies hetzelfde. Aan de bar zitten en het tafereel gadeslaan, de observaties noteren in het gele boekje. Ook jij zit steeds weer in een eigen ruimte. Een nieuw fragment schrijven in een verhaal dat groeit. De mensen, de drank, de luide muziek die in je oren schalt – het maakt niet uit. De toeschouwer zijn, dingen zien die anders verborgen blijven.