De leegte vullen met groene letters, groene zinnen

Naar de lucht kijken, de dromen die je had, alsof je nog droomt. Er is een moment dat er niets is, je er niet bent. Dat duurt maar kort, dan voel je de harde koude stoel weer, zie je witte wolkjes adem, damp van de koffie in je hand.

Later gaat dit niet meer. Dan is er iets verdwenen van wat je voelde al zo vroeg. Je van het ontbijt achter de schrijftafel zetten – dat is toch anders. Dan is de machinerie van de dag, het gezin – die is dan in gang gezet. De eerste indrukken, de nabijheid van de nacht, die zich inprenten in een half slaperige en toch heel heldere geest. En wat betekent het, wat betekent dit alles dat zich in de nacht heeft afgespeeld?

Misschien was er een huis in een onbekende stad, een onbekend land. Er waren verlaten straten, afgebladderde muren, graffiti – het was avond, het was donker. Het huis was bruin, een rijtje bellen naast de voordeur, maar de deur was al open. Er gingen twee trappen naar boven. Een kil trapportaal met tegels die waren overgeschilderd, de verf kwam eraf, de oorspronkelijke onderlaag was tevoorschijn gekomen.

Het geluid van voetstappen dat weerkaatste tegen de muren. De tweede trap eindigde abrupt, een ingang waarvoor je moest bukken met daarachter een deur. Er waren tafels gedekt, mosselen stonden te dampen in een schaal. Mosselen en een mandje brood. Borden, glazen, een vaal kleed dat ooit wit was met vlekken die er niet meer uitgingen in de was. Je wilde een borrel, de reis was lang, het was fris. Je snakte ernaar, naar de drank. Maar er was geen wijn, er was alleen water. Je nam een stukje brood en dacht: Waar zijn de anderen?

En toen zag je plots je vader. En hem had je op deze plek nou juist niet verwacht. Hij zat in de ruimte aan de achterkant, waar bruine banken stonden rond een lage houten tafel; banken waar je zo diep in wegzakt dat je nauwelijks overeind komt. Hij zat op zo’n bank, het was hem gelukt eruit op te staan.

Hij zei: Kind ik wil gaan.

Je had geantwoord dat je wilde blijven. We zijn er net, straks gaan we samen, goed?

Je zat te schrijven met de zwarte pen die je ooit van collega’s kreeg. Thuis ligt-ie in de pennendoos op hetbureautje op zolder. Het was belangrijk wat je schreef, je had de pen speciaal meegenomen, je wilde nu niet stoppen.

Er zit nog iemand aan tafel. De mosselen en het brood waren aan de kant geschoven. Het was de uitgever, je kende hem al. Hij was heel klein en had geen haar. Op zijn kale hoofd droeg hij een bril met een knalrood montuur. Je keek hem zijdelings aan en zei: Het is niks wat ik doe, het stelt niets voor.

Maar toen dacht je, zei je: Nee nee nee, dat is niet waar! Het is wel iets, wat ik doe ís iets! Met groene inkt schrijven op grote vellen papier, de leegte vullen met groene letters, groene zinnen! Vergeet wat ik gezegd heb. Het is iets!

Een zware pen met een gouden punt, de inkt spettert, het papier raakt vol vlekken. Wat betekent het. Alles is betekenisloos maar het gebeurt. Het gebeurt hoe dan ook. Schrijf Hoe. Schrijf niet Wat, maar schrijf Hoe. Dat zei de uitgever, het was het enige wat hij zei – toen was hij verdwenen. Toen pakte je de papieren bij elkaar, het was een heel pakket geworden, hoe had je dit in zo korte tijd vol kunnen schrijven? Maar het was gebeurd en je pakte het op. Je zei: Pap zullen we gaan?

Waar de verbeelding ons brengt

Ben jij het die zo leeft? Of verzin je dit alles. Dat je de meisjes en je man thuis achterlaat. Een week alleen in een huisje in het bos. Je ziet al die tijd niemand, de telefoon staat uit. Is het werkelijk zo gegaan?

Was jij het die over het bospad liep en in de verte geweerschoten hoorde, vervaarlijk blaffende honden stoven voorbij. Je vroeg je af of het jachtseizoen al geopend was.

Liet jij je gedachten dwalen terwijl je op een bruine schapenvacht. Je billen op een vreemd bankje, een beker thee in de hand. Er lag een pak speculaasjes, het prijsje zat er nog op, ze zijn verfijnd van smaak. At jij het pak leeg bij wijze van lunch?

Schreef jij met een geel potlood zinnen neer in oude schriften van het jongste kind? Letters die zich voor je ogen vormen; vanuit het hoofd via je hand op papier verschijnen. Steeds terugkeren naar de papieren op tafel die niemand verplaatst. Kruimels op het aanrecht, een bord met sporen van een maaltijd staat in de gootsteen te weken. Het is je eigen troep, er zit orde in deze chaos, het zijn niet de spullen van anderen die het blikveld verstoren, het is een keuze het zo te laten.

Je maakt omtrekkende bewegingen. Sluipt uren door het struikgewas met een camera om je nek, de tuin loopt heel ver door en gaat dan over in een bos waar niemand komt. Je zoekt de eekhoorn die je wel hoort maar die onzichtbaar blijft. Je zoekt steeds die ene gedachte, je onderzoekt haar van alle kanten: wat is nu werkelijk het verhaal over dit leven, deze vrouw, dat je wilt vertellen. Het gaat erover wat je beleeft – maar maak je wel iets mee, of speelt het zich af in je hoofd. En wat is eigenlijk het verschil tussen die twee?

Zat jij in de schemering die langzaam overgaat in duister, bij een klein vuurtje met een glas witte wijn. Het grote huis aan de andere kant van de heg, een warm geel licht schijnt door de ramen naar buiten. Er klinkt muziek, het staat vrij hard, maar het is Janis Joplin, je kan het hebben. Je denkt aan een andere keer dat Janis Joplin klonk, en dat je na afloop, naakt onder het dekbed. Summertime in de versie van deze vrouw die zo jong overleed – je kunt de gitaarsolo foutloos meefluiten.

Is het werkelijk zo gegaan? Ben jij die vrouw die na een paar dagen groezelig wordt. Die vergeet te douchen, het stugge haar ruikt naar vuur. Haar andere zelf, die nooit zonder lippenstift de deur uitgaat, heeft zij thuisgelaten. Net als alle adviezen over hoe een tekst eruit hoort te zien. Hard werken, boeken lezen, de aandacht erbij houden – dat is wat telt. En al heb je aan het einde van de dag maar vijf zinnen geschreven; het zijn zinnen die ertoe doen, ze mogen blijven.

En of je als het werk gedaan is, op de laatste dag daadwerkelijk het bos uit bent gefietst, naar het Museum met kunst over De Werkelijkheid – dat zullen we nooit weten en het doet er ook niet toe. Het belangrijkste werk van de expositie van een Nederlandse kunstenaar is een portret van een oude kamer, met hoge ramen waar het groen van buiten doorheen schemert. De ruimte is natuurgetrouw uitgewerkt, op een klassieke manier waaruit het talent en vakmanschap van deze kunstenaar spreekt. En dan. Een net van gouden draden vormt een gouden web dat in de ruimte hangt. De lijnen die ze er met een lineaal overheen heeft getrokken doorkruisen de realistische werkelijkheid. Je blijft in kleermakerszit op de grond zitten kijken, tot de suppoost voorzichtig zegt dat het museum bijna sluit.

Terugfietsen over het dunne pad, een begin van donker tussen de bomen. Ook in het werk van deze vrouw gaat het over de tussenruimte. Niet de ruimte die nodig is om iets te creëren, om bij een gedachte te blijven en die af te maken – maar juist de ruimte die zich bevindt tussen wat we werkelijkheid noemen en dat wat daarachter ligt, waar de verbeelding ons brengt.

Een net zijn van onzichtbare draden

De ochtend van zijn vertrek is er onweer. Felle flitsen zetten de duistere kamer in het licht. Je kruipt heel dicht tegen hem aan, zoekt de beschutting van zijn warme grote lijf als hij zegt dat hij gauw terugkomt. En dat je het wel redt, alleen met de meisjes. Maar wanneer hij de straat uitfietst, en je hem uitzwaait vanonder een grote paraplu, dan weet je dat er geen zinnen verzameld zullen worden, en dat de gedachtes en daden alleen van praktisch nut zullen zijn.

Je weet dat hij aan de andere kant van het land weken aaneen zijn noten zal oefenen, zijn teksten zal leren, zijn stem zal scholen. Terwijl jij thuis het vangnet vormt en de dagen zich snel zullen vullen. De eerste schooldag op een nieuwe school. Hoe maak je die zware tas achterop goed vast? Zwaai je haar nog uit of niet? De nieuwe lessen, de nieuwe vriendinnen – alles is even opwindend, ze is zo moe aan het eind van de week.
En het andere kind moet plotseling huilen, in de avond zijn de dingen erger. Je sliep al bijna, maar zij kwam nog naar boven. Het enige dat je kunt doen is haar over het gezicht aaien steeds opnieuw en fluisteren dat alles in de ochtend lichter is – dat het goed komt, dat het overgaat. Ze valt naast je in slaap, je hoort haar adem dieper worden totdat ze verdwijnt, maar zelf verdwijn je niet, je blijft alert.

Zolang hij weg is slaap je weinig. In het donker opstaan en naar het water fietsen voor de school begint. In je nachthemd over het schelpenpaadje, een vest over een lijf dat ruikt naar slaap. Je staat met je voeten in het natte zand aan de waterkant en ziet hoe de zon het duin overkruipt. En dan voel je de andere vrouwen naast en achter je staan. De moeder, de tante, het nichtje en heel in de verte de oma – en je vraagt je af: hoe hebben zij dit alles gedaan?

Het huis wordt vies, er valt een pak spliterwten op de grond, het plastic splijt open en de keukenvloer ligt bezaaid met groene bolletjes – steeds maar vloeren die bezaaid liggen, en er ontkiemt helemaal niets. In de groezelige keuken heeft een spin zijn onderkomen gevonden. De roerloze aanwezigheid hangt in haar fragiele web voor het raam. Een net zijn van onzichtbare draden, te zorgen voor de meisjes, voor alles wat hier nodig is.

En weken later komt hij eindelijk thuis; een stralend gezicht, een bos bloemen in zijn hand. Even denk je dat ze speciaal voor jou zijn gekocht. Maar direct daarna herken je het opgemaakte boeketje, het soort waarvan je zo gruwt. Na afloop gekregen, de laatste voorstelling in Maastricht.
Speciaal voor deze rol had hij zijn baard laten staan, hij ziet er verwilderd uit – de lange treinreis, het is al laat. Teruggekomen als een soldaat uit de Grote Oorlog. Toen het zo lang duurde; dat de mannen onherkenbaar waren geworden. Het leven van de vrouwen thuis – de moeders, de tantes de nichtjes en de oma’s – was doorgegaan. Een nieuwe vorm met nieuwe routines was ontstaan. En zo is het nu ook: met zijn thuiskomst wordt er iets doorbroken.

Je herkent hem wel, dat spreekt voor zich, maar je voelt het niet, het is de boosheid die het overneemt. Je bent razend als je hem ziet. Je grijpt de bloemen in felle kleuren en smijt ze in hun plastic verpakking in de vuilnisbak. De tranen kun je niet verbergen en zijn lichaam is als van een vreemde, je slaapt in het logeerbed die nacht.

En in de ochtend fiets je weer naar het water, opnieuw voel je de andere vrouwen om je heen. En dan weet je: zij hebben dit gedaan, jij kunt het ook.