Hoe langer je kijkt, hoe meer je ziet – bericht uit Offerdal

[de extra lange vakantie-editie]

In het rode huis op de heuvel ruist alleen de wind in het berkenbosje achter het kippenhok. Overdag rijdt soms een auto langs. En twee keer per week stopt het blauwe busje van de post, onderaan het pad. Dan lopen we tweehonderd meter naar beneden om de Jämtland Tidning van de bewoners op te halen. In de avond is het heel stil, dan maken alleen de kippen en de muggen geluid. 
Er ging een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit van de noordelijke landen, die ergens in de kindertijd ontstond, en later door boeken en films is gevoed. En alles is zoals het werd beschreven: het diep donkere groen van de wouden waar geen einde aan komt. Alle huizen roodgeschilderd. Het blauwe friskoude water in de talloze meren, dat zo helder is – je kunt je tenen tussen de kiezels op de bodem nog steeds zien. Je had een beeld, en je bent er nu, en het is precies zo. Je schrijft alles op, je maakt de hele dag foto’s. Misschien helpt dit om iets te pakken te krijgen; om samen te vallen met de ervaring. 
Na het schrijven – in de tuinkamer, waar je een kaars aansteekt en je nieuwe blauwe potlood slijpt – loop je naar buiten, een kop koffie in je hand, je kijkt uit over de weide. De wind raast door de bomen, je ziet niemand.

Later lig je op de zachte groen-grijze bank met veel kussens. Je leest een boek van een Deense schrijver, dat eerst pretentieus aandeed, maar je nu toch in zijn greep heeft. Het lef waarmee het geschreven lijkt, daar spreekt een enorme urgentie uit. Naast het talent om te blijven zitten, is dat wat schrijven vraagt: de moed om door te gaan! 
Je leest tot er een kind naar beneden komt. Het jongste kind, dat ook het grootste is, maar zich evengoed nog met haar lange lijf tegen je aan nestelt. De bank is zo breed dat je er met gemak samen op kunt. Zij leest het boek dat ze voor de vakantie kreeg; dat het is geschreven in 1865 maakt haar niet uit. Ze las het in een adem uit, en daarna direct – net als haar zus altijd doet – in een kalmer tempo nog eens. Ze vraagt: wat is associatie en discriminatie, en welke kleur is karmozijn? Wat zijn initialen? 

In de avond werd het niet donker, de dag eindigde nooit. We zaten bij het vuurtje, we roosterden appels en marsmellows, we dronken thee en whiskey, en zongen alle liedjes die we kenden uit volle borst. We waren helemaal alleen op de berg bij het rode huis, er was niemand die het hoorde. De kinderen gingen vanzelf naar bed, wij bleven nog, het werd laat, er was geen schemering. 
In de zomer blijft de geruststelling van het duister hier uit. Je kunt de ochtend niet betrappen bij het opstaan, zij is je altijd voor. En dat de avond je als een deken toedekt, dat gebeurt nu gewoon niet. Het is de tegenhanger van de donkere winter, die heel lang duurt. Dan is er zo weinig licht, dat mensen er ongelukkig van worden. 

Stel je nu het volgende voor: Een provinciale weg slingert met lome bochten door het land. Groene velden, heuvels, weidse uitzichten op nog meer groen: dennenbos zover het oog reikt. Steenrode huizen met witte daklijsten, een veranda met een trapje naar beneden. De huizen liggen verspreid tegen de heuvels, alsof ze door een reus zijn rondgestrooid en zomaar ergens zijn neergekomen. Onderaan de weg staan de brievenbussen, meestal drie of vier naast elkaar met een dakje erboven. 
Een oude rode Volvo volgt de weg en doorkruist het gebied. Het gezin rijdt door het prachtige Zweedse land, een landschap dat ze nog niet kennen, maar dat al snel vertrouwd aandoet. De moeder denkt aan het stoute jongetje uit een van de favoriete kinderboeken. Hij haalde voortdurend streken uit, en werd dan voor straf opgesloten in het timmerschuurtje waar hij uit verveling poppetjes sneed. Ze waren dol op dit jongetje, hij woonde in precies zo’n huis, in precies dit landschap. De momenten dat ze haar kleine meisjes nog dichtbij had, dat ze na een lange dag samen in het grote bed lagen, en zij hen voorlas uit dit boek.
In de grote stad, een uurtje rijden verder, bezoeken ze de boekhandel. Daar ziet ze het boek staan, in de oorspronkelijke taal. Het is mooi uitgegeven: gebonden, met een rode linnen rug. En met de illustraties die ze ook uit de Nederlandse uitgave kent. ’s Avonds leest ze het oudste kind voor. Zij was gevallen op de trampoline, ze brak een vinger, ze moesten naar het ziekenhuis in dit vreemde land. Nu zit haar hand in groen gips, alsof het een cadeautje is, zo mooi werd het ingepakt. Het kind is moe na de lange dag. Ze ligt vroeg in bed en luister naar het verhaal over het jongetje met zijn streken, Emil van Lönneberga.

En dan koelt het plotseling af, de temperatuur daalt met zeker tien graden, en het waait heel hard. De wind loeit in de bomen en jaagt de wolken voort. Wanneer het regent, regent het hard. Gelukkig liggen er Noorse truien in de kast, er zijn traditionele motieven in gebreid. Een vrouw uit de buurt maakt deze truien zelf, zij staat regelmatig met een kraampje bij de ICA, twee dorpen verderop. We maakten al veel uitstapjes, maar vandaag blijven we binnen en steken de kachel aan, we spelen Ticket to ride en doen een dutje; we zien de hele dag geen mens.
In de middag is het droog, je stuurt het jongste kind naar buiten. Je stelt voor om minstens tien verschillende soorten bloemen te plukken. Tijdens de lange treinreis vanuit de hoofdstad zagen jullie een paarse bloemenzee langs de spoorlijn; de monnikskap die overal bovenuit piept, en wel tot je middel kan groeien. Hier valt de moerasspirea op: de plantjes met witte bloesem groeien overal, ze zijn als een sluier in de bermen gedrapeerd, en wiegen zo mooi in de wind. 
Het kind komt al snel terug met haar bosje. Samen bekijken jullie wat ze geplukt heeft, de namen leerde je van je moeder. Witte en rode klaver, margrieten; duizendschoon en fluitekruid; boerenworm- en Johanneskruid en korenbloemen. En dan nog de bloemen die je niet kunt thuisbrengen, die alleen hier groeien. Ze krijgt de smaak te pakken en loopt weer het veld in. Het hele huis staat later vol bloemen, kleine bosjes in drinkglazen – alle vazen zijn op. 

Met de oude rode Volvo rijden we door het uitgestrekte land. Het landschap is prachtig, maar heeft ook een stug voorkomen; het vraagt iets om de schoonheid te blijven zien in de onafzienbare dennenbossen langs de provinciale weg. Soms zien we een truck met oplegger, die helemaal volgeladen is met hout; boomstammetjes die netjes opgestapeld zijn. Of er springt vlak voor ons een rendierjong over. Er staan borden langs de weg die daarvoor waarschuwen, borden die wij in Nederland niet kennen. Verder komen we in deze dunbevolkte regio bijna niemand tegen. 
In de auto val ik bijna in slaap. De hele nacht wordt het amper donker, en het verduisterende rolgordijn klappert in de wind; het licht weet altijd door een kiertje naar binnen te komen. Slaperig pobeer ik me voor te stellen hoe de winter hier zal zijn. Je moet een auto met extra koplampen hebben, want de wegen zijn niet verlicht, en vaak onbegaanbaar, dan kun je alleen met een sneeuwscooter op pad. Hoe je dan op jezelf wordt teruggeworpen. 
We gaan naar Krokom, dat ligt voorbij Änge en Kaxås in de richting van Östersund; het is ongeveer driekwartier rijden. We kopen schoenen voor het jongste kind; haar schoenen van thuis bleken bij aankomst een maat te klein, ze was weer sneller gegroeid dan ik in de gaten had gehad. Ook gaan we naar de Systembolaget, de drankwinkel. Je kunt in Zweden bij de ICA geen alcohol kopen met een percentage hoger dan 3,5%, dat is wettelijk zo geregeld. Er liggen blikken export-bier in de koelkast, maar na een week zie ik uit naar een glas wijn. 
Ik vraag me af of er door de regeling minder alcoholmisbruik is. Op deze maandagochtend is het in ieder geval druk in de winkel. Een oudere dame voor ons in de rij, rekent een fles goedkope sterke drank en twee flessen wijn af. Achter de kassa staat een jonge vrouw, het lange haar prachtig rond haar hoofd gevlochten. Ze heet Emilia en ziet er met haar blozende gezicht en blonde haar erg Zweeds uit. Een toonbeeld van jeugdige schoonheid en frisheid, dat hier tussen de soms groezelige types enigszins misplaatst aandoet. 

Het blijft koud. ’s Ochtends vroeg zit je buiten met een dik vest, een wollen sjaal en je handschoenen zonder vingers, zoals thuis in de winter. Maar hier is het zomer en het is 8 graden. In de woonkamer brandt een vuur. 
Er staat een grote kast, die de hele rechter zijmuur van de woonkamer beslaat. Er zijn planken met boeken en spelletjes. Mappen met de administratie van dit huishouden. Een vak is gevuld met spullen om te handwerken: een mand met breiwol, stapels lapjes die netjes zijn opgeborgen in nog een mand, een ouderwets houten kistje dat je kunt uitklappen, waar klosjes garen, naalden en spelden in zitten. Op de onderste plank staat speelgoed. En er zijn – zoals in elk huis – lades met troepjes die je nergens anders kwijt kunt. De kast geeft een inkijkje in hoe dit gezin leeft, wat ze doen en belangijk vinden op deze afgelegen plek. 
De tuinkamer is later aangebouwd. Het keukenraam was vroeger een raam naar buiten; nu kun je kopjes thee doorgeven. Het warmt hier heel snel op wanneer de zon schijnt, maar dat is deze ochtend niet het geval, en dan is het heel koud. Van hier heb je het mooiste uitzicht.

Behalve buurman Svante die langskomt om het gras te maaien, en ons zwijgend begroet vanaf de electrische maaimachine, zien we ook deze dag niemand. We ervaren het leven in afzondering. De tuinkamer is ook studeerkamer, de Zanger bereidt zich hier voor op zijn rol in de opera, zijn warme bas-bariton klinkt voortdurend door het hele huis. De meisjes verzinnen een project om de tijd te verdrijven – voor hen is het eenzame leven minder vanzelfsprekend, ze missen na anderhalve week hun vriendinnen. 
Nu schrijven ze een toneelstuk met tien verschillende scènes. Dat deden ze al eerder, maar dat was op de camping, en toen waren ze een stuk jonger. Nu wordt het serieus aangepakt. Het hele script wordt uitgeschreven, en daarna op de iMac uitgetypt. Dat gaat niet zo snel, de ene arm zit nog in groen gips. Je moet er iets van maken, dat leef je ze altijd weer voor, en daar zijn ze goed in. Er is niemand die vertelt hoe dat moet, dat vind je gaandeweg uit.

Vanuit de tuinkamer aan de voorkant, met over de hele breedte ramen, oogt het landschap aanvankelijk als een massief groen blok van dennenbomen. Maar hoe langer je kijkt, hoe meer kleuren je ziet. Het is steeds weer, en elke dag anders. Het diepdonkere groen dat haast zwart lijkt als de zon niet schijnt. En dan licht plots het loofbos aan de voorkant op, en zie je de berken en lijsterbessen in hun grijsgroene gewaad afsteken tegen de naaldbomen erachter. Bij zonnig weer is het hele bos lichter. En soms, bij sterke bewolking, als dan plots de zon doorbreekt, wordt een stuk bos in de verte verlicht, als een heldere plas in de verder groene zee. Heel in de verte de besneeuwde bergtop, die ook telkens anders kleurt, en boven het donkere woud uitsteekt. De natuurlijke omgeving is hier een grote en onontkoombare aanwezigheid, je leeft ermee, het is het vijfde personage.

Groen en rood

Hoe je wakker werd van de regen, het was heel vroeg, maar wel al licht. Bij het opstaan rook het heerlijk. Je las een boek van een vrouw die een obsessie opvatte voor de kleur blauw, dat leverde korte onnavolgbare fragmenten op. Evengoed kreeg het boek een cultstatus. En er was de bundel met het groene omslag. Verhalen van een Duitse schrijfster over het alledaagse, sowieso een geweldig literair thema. Haar verhalen zijn erg goed, je leest ze langzaam.

Buiten groeit de druif met een overdadige hoeveelheid groen blad; de jonge takken reiken als lange armen over het plaatsje. De lucht is zo zacht dat je het nauwelijks voelt op je huid. En de dagen duren eindeloos.

Hoe je later de stad uit fietst, je gaat langs het water, zonder jas, je rok wappert in de wind om je blote benen. De bermen zijn heel groen en het Johanneskruid bloeit met kleine gele bloemetjes. De lucht is nog zwaar van al het water, zodra de zon schijnt is het heet en begint de bodem te dampen. Je trapt stevig en gaat steeds sneller, je bent onderweg naar de tuin om rabarber te oogsten. Onderwijl denk je aan blauwe boeken of groene boeken. En welke kleur heeft jouw boek eigenlijk? Zo rood als de stelen van de rabarber waar je jam van gaat maken?

En hoe je ten slotte de meisjes naar het station brengt, wanneer ze gaan logeren bij oma. Je fietst achter ze aan, met de zware rode weekendtas achterop. Zij gaan vooruit, met z’n tweeën op éen fiets. Vervaarlijk slingeren ze met lange armen en benen. Jij koopt de kaartjes en dan is er plots haast. Ze schieten door de poortjes, de tas op wieltjes achter zich aan, en weg zijn ze. Je staat daar en kijkt ze na, zij kijken niet om.

In de avond ga je naar bed, het is dan nog licht. Hoe de dingen onmerkbaar steeds verschuiven. Door de dag heen, door het jaar, de jaren. Een verdieping lager zijn de bedden leeg, het huis is stil, je ligt alleen. De Zanger komt straks, je valt in slaap.

Horloge

A.L. Snijders is maandag overleden. Hij zat zijn tweewekelijkse stukje voor de Berkelbode te tikken toen hij een hartaanval kreeg. Gestorven in het harnas zogezegd; hij was 83 jaar.

Mijn vader wordt binnenkort 74. Hij is te zwaar en drinkt te veel; ik hoop dat hij evengoed nog een tijdje bij ons blijft. We hebben er niks over te zeggen: de tijd verstrijkt en staat soms plotseling stil. We spraken erover in de keuken – altijd al ons gezamenlijke decor – over afscheid nemen van je ouders. Het is alsof je een stukje van je ziel afscheurt zei hij. Dan moet je daarna alleen verder. En zo hoort het ook.

Hij stuurde een sms: Kind, wij gaan een horloge voor jou kopen, voor je verjaardag. Kijk maar vast eens rond en noem een datum, dan kom ik naar je toe. Vlak daarvoor zag ik een film met Bill Murray die een horloge aan zijn dochter geeft. Ze krijgt het in een chique restaurant met zachte muziek en bij kaarslicht. De vader is in dit verhaal stiekem jaloers op de man van de dochter. Dat is in mijn leven bepaald niet het geval. Toch leek het alsof deze film de aanleiding vormde voor het gebaar.

We spraken af. Het was in december, het was heel koud, de straat was verlaten. Ik was zoals altijd veel te vroeg. In het steegje zette ik mijn fiets tegen de zijkant van de winkel waar de klokkenmaker huisde. Ik liep mijn vader tegemoet in de richting van de parkeergarage. Er waaide een gure wind, die zo door mijn wollen jas ging; het was heel grijs, de zon liet zich de hele dag niet zien. Om warm te blijven liep ik heen en weer, bewoog mijn tenen in mijn schoenen.

Op de afgesproken tijd kwam hij aanlopen. Het licht viel van achter, in de schemering was alleen zijn silhouet zichtbaar. Hij heeft een herkenbare loop, stevig en vastberaden; waarbij hij een klein beetje heen en weer wiegt. Zijn pas is nog altijd energiek. Hij had een muts op, die enigszins potsierlijk stond, en hij droeg een nieuwe jas. Onze begroeting was hartelijk, hij keek me opgetogen aan.

In de winkel waren we gauw klaar; ik wist al welk horloge het moest worden. Het was ongeveer zeventig jaar oud, van net na de oorlog. Uit Oostenrijk. Een vierkant model, met een eenvoudige stijlvolle wijzerplaat, prachtige cijfers. Een bruin leren bandje. Nadien dronken we koffie met koek, veel koek. Mijn vader houdt van snoepen, net als mijn oma vroeger.

Een half jaar later als de koude een vage herinnering vormt, en de klaprozen overdadig in alle bermen bloeien staat mijn klokje stil. Het is op de stenen vloer gevallen, waarna het onmiddellijk stopte: het was vijf over vijf en dat bleef het. De klokkenmaker had me gewaarschuwd: als dit horloge valt dan is de balans kapot, dat is een essentieel onderdeel in een mechanisch uurwerk, daarna is het niet meer te repareren. Dingen gaan kapot en niets is voor de eeuwigheid; het afscheid komt altijd onverwacht, maar soms is het te vroeg, en wil je het gewoon nog niet.