Over de liefde

Mag het over de liefde gaan? Laat het alsjeblieft over de liefde gaan dit keer. Het verhaal dat toen al begon, en achteloos geschreven werd zoals het leven achteloos werd geleefd, en dat zich al die tijd in de kieren van het leven had verstopt, losjes om een stapeltje foto’s gevouwen en ergens in een doos weggeborgen niemand wist waar. En zij wisten toen niet, hoe konden ze dat weten, dat de liefde hen op dit moment hierheen zou leiden.

Hoe hij zit te wachten in de catacomben van het beroemde theater in Parijs. De ruimtes aan de achterkant waar verder niemand komt. Hij zit al in de schmink, hij heeft zijn kostuum gepakt van het hangertje met zijn naam erop, de rode blouse en de zwarte broek aangetrokken, hij zit klaar. Het vacuüm van vlak voor de show. De voorbereiding – die is gedaan, nu is er niets dan dit. Dat hij hier, op deze plek, in deze zaal, als het licht straks uitgaat en de spotlights aan – dat hij hier op het podium zal staan. En dat recensenten erover zullen schrijven, over de fenomenale dirigent, over de solisten van wereldfaam en over het koor. Als enige Nederlandse zanger mee te zingen in het koor.

Maar aan dat alles denkt hij nu niet. Nu denkt hij aan haar. En dat zij er zal zijn net als toen.

En hoe zij op dit moment, ze is nu geen schrijver, geen fotograaf, ze is toeschouwer – hoe zij zich naar hem toe haast vanuit de buitenwijk. De make-up zorgvuldig op orde gebracht, de juiste kleren uitgezocht; een zilveren panty die glanzend om haar benen spant, de laarzen met hakken die ze nooit meer draagt, maar wel al die tijd onderin de kledingkast heeft bewaard. Ze gaat met de metro, het waait flink en er is regen voorspeld. Met stevige passen naar de ingang van het station. De etensgeuren. De jonge mensen in clubjes op straat. Een donkere man onder een slaapzak. Gauw door de poortjes en met de trap naar beneden, vlak voor de deuren sluiten naar binnen schieten, haar tas met de toneelkijker die van zijn opa was geweest hangt over haar schouder. De weerspiegeling van een ouder maar stralend gezicht in de ruit in het donker.

En hij ziet zichzelf in de spiegels van het theater, spiegels met van die lampjes rondom, voor elke zanger één. Hij kijkt en stelt vast dat hij ouder geworden is. Grijs aan de slapen, de huid slapper dan toen. Een ernstige oogopslag; er trekt iets door hem heen als hij hier zo vlak voor aanvang zit. De jaren, de tijd, een gevoel van melancholie. Hij ziet zichzelf in de spiegel en denkt aan haar. Vanavond zal ze komen, ze komt altijd. En hij zit opnieuw te wachten en hij is nerveus net als toen.

Zij was niet nerveus maar juist opvallend kalm geweest. Gauw een grijze trui aangeschoten, een spijkerbroek en de laarzen met hakken. Haar leren jas aan die ze altijd droeg, en op de fiets naar het café in de stad. Het waaide toen flink, er was regen voorspeld. Even is ze daar, snel fietsend over het Rokin.

Maar dan. De metro staat stil, de herinnering aan die eerste ontmoeting in een Amsterdams café vervliegt. Plotseling haltgehouden, het geluid van de motor valt weg, de deuren blijven open. Ze kijkt om zich heen, vanbinnen is het niet langer stil maar raast en stormt het, de kalmte is verdwenen. Een stem roept iets om in onduidelijk Frans, mensen staan op. Ze heeft de neiging om te gillen maar grijpt in plaats daarvan haar tas en snelt naar buiten.

Hoe hij al die jaren geleden zat te wachten met een kop thee. Hij drinkt nooit thee, maar toen had hij thee besteld voor zij kwam. Hij was ontzettend nerveus.

Ze rent door het ondergrondse gangenstelsel, het geluid van haar hakken weerkaatst tegen de muren, ze holt de trappen op naar boven naar buiten. Het duister, de donkere gezichten, mannen die pakjes sigaretten aanbieden, ze holt door. Kijkt of ze een fiets ziet, er staat er een in het rek, de code invoeren en gaan. Zich in het drukke verkeer storten, de adrenaline giert door haar lijf. Na het chaotische verkeersplein Stalingrad afslaan naar de Jean Jaures, die overgaat in de Rue de la Fayette. Dan gaat het snel, dan helemaal naar beneden, het gebouw ligt aan het einde als in een kom. En daar kwakt ze de fiets in de stalling en draait zich om, hevig getoeter op de rotonde voor de opera, is het voor haar, het kan haar niet schelen, door rood gaan, en dan – eindelijk, eindelijk – ze heeft het gehaald, de trappen, de ingang. Ze is nog op tijd.

Ja over de liefde mag het gaan. Over wie ze waren en wie ze geworden zijn.

Het verhaal dat ze schreef en printte op de achterkant van de drukproef die ze had gecorrigeerd – een bijbaantje bij een uitgeverij. Ze durfde het niet te vertellen, de moed om ervoor uit te komen dat ze ook schreef – die miste ze nog. Maar ze typte het verhaal uit en de printjes raakten zoek, ze verstopten zich tussen de pagina’s van een of ander boek en ze vergat het, het leven nam het over.

Wie ze geworden zijn en waar het hen bracht op deze avond.

Hoe zij hier nu zit op het vierde balkon. Het pluche versleten, de stoelen hard en de plaatsen krap. Haar voeten doen pijn en ze kan haar benen nauwelijks kwijt, maar ze heeft haar antieke toneelkijker, en ze zit hier, ze is erbij, deze avond als de voorstelling hier in Parijs in première gaat. En ze kijkt vanuit de hoogte en ze ziet niet alleen de dirigent in de orkestbak, die geprezen zal worden in alle kranten, en die na afloop met zijn gevolg verdwijnt en de status van een rockster heeft, en hij is inderdaad briljant deze lange dunne man in het zwart die uit Siberië komt, en wat hij doet: het is volmaakt en alles klopt het is betoverend magisch. Maar ze ziet niet alleen hem. Ze ziet ook de man in de rode blouse, de zwarte broek die op het podium staat. En ze buigt voorover, stelt de kijker scherp en beeldt zich in dat hij naar haar kijkt – ze kijkt naar hem en hij wendt zijn gezicht omhoog en kijkt naar haar.

En dan denkt ze dat het niet alleen de journalisten zijn die erover zullen schrijven. Zij was de toeschouwer al die jaren en zijn publiek. Maar ze heeft ook het verhaal opgeschreven, meteen in het begin, en dat de printjes zijn kwijtgeraakt dat geeft nu niet meer want het is niet gestopt. Ook niet toen het moeilijk werd en ze abrupt tot stilstand kwam. Ook niet toen er geen ruimte was en er andere dingen waren die om aandacht schreeuwden toen er werkelijk geen ruimte was. Ze heeft het verhaal naar zich toegeschreven, nu ze hier zit en naar hem kijkt en weet dat hij haar ziet. Vanaf het versleten pluche, de harde bankjes, het vierde balkon schrijft ze het verhaal. De toeschouwer en de schrijver – ze zijn één persoon.

Dat er ongemerkt iets gebeurt

De meeuwen krijsen, de grond is droog, het heeft al een tijd niet geregend. Droge aarde verbrokkelt tussen vingers, droge huid waarin spontaan kloven springen. Barsten in de grond, ruwe huid insmeren met handcrème al helpt het niet, de huid blijft rood en ruw en springt tot bloedens toe kapot.

Een oude dakpan waarin rotsplantjes groeien, de grond is gekrompen, de dorre plantjes na de koude winter nu de zon weer vaker schijnt en alles ontwaakt uit de stille bewegingloosheid, en de regenwormen komen tevoorschijn uit de kieren tussen de tegels.

Wat er in de winter gebeurt – dat zien wij niet, de processen die onzichtbaar plaatsvinden. Maar zodra het langer licht en warmer wordt, de zon die de stenen verwarmt, een dakpan met plantjes. En een polletje mos van nieuwe aarde voorzien want regenwormen, goede aarde – het is het begin van alles.

Het kleine plukje mos dat zo heel dor en droog is en nauwelijks een vermoeden van leven.

Op de terugweg in een geleende auto in één lange rit naar huis gereden, de stenen lagen verstopt onder de bijrijdersstoel. Een verzameling stenen van elke wandeling één als souvenir van een steile klim naar boven, de blaren de hitte de vermoeidheid waren vergeten en de stenen werden meegenomen in een plastic bakje waarin abrikozen hadden gezeten die zo zoet smaakten het sap droop langs onze kin omlaag. De zon de warmte de fantastische smaak – een herinnering in een plastic bakje uit de supermarkt in het dorp, om thuis op een boomstammetje zo’n torentje te bouwen zoals je in de bergen ziet, als iedere wandelaar zijn steen erop legt en met elkaar wordt er iets gebouwd dat langzaam groeit, in de tuin bij de achterdeur een torentje dat langzaam groeit.

En bij de stenen zat ook een klein stukje mos, een verstekeling die per ongeluk was meegekomen, meegenomen zonder opzet het lag gewoon op een steen. En nu het dorre droge plantbeginsel nog in zichzelf gekeerd, het groeit heel langzaam, kleine steeltjes met heel kleine dopjes, hoedjes als kaboutermutsjes, het heeft nieuwe aarde nodig van die vruchtbare aarde uit zo’n zak met goede dure bio compost – dat heeft het nodig, een klein handje maar en een beetje water, in de gieter zit nog water.

En we weten niet hoe maar op zeker moment wordt het zichtbaar. Te denken dat iets vastzit, eraan sjorren en dat heeft geen zin als het vastzit, het zit muurvast. En dat het dan toch geleidelijk en geruisloos, dat er ongemerkt iets gebeurt er weer zuurstof in komt. De regenwormen, het roze nattig glimmende dat niemand ziet, de wormen die niemand ziet, zo weerloos als de anus van een oude man, ze liggen kronkelend verstrengeld op de tegels maar zonder hen zijn we nergens.

Het losgewoeld en iets te pakken gekregen dat verdwenen leek, de regenwormen de krioelende woorden in een onleesbaar handschrift in groene inkt. Kleine bewegingen zijn ook bewegingen en nadenken is misschien niet de manier om op te diepen wat vanbinnen leeft. Niemand zag het alleen de enkeling die gehurkt heel goed keek, de kleine dopmutsjes, niemand zat erop te wachten en toch komt het terug – over nut en noodzaak ging dit alles niet.

En hoe moeilijk het was, hoe lang het duurde, een winter lang, verstild onder het oppervlak niet waarneembaar maar er kwam toch iets, een klein groen puntje – plots was het er, het begin van iets nieuws dat zich naar buiten wist te werken door het droge oppervlak, het liet zich niet stoppen plots was het daar. En de verrukking de blijdschap de euforie – gehurkt zitten op de tegels en vaststellen het komt terug, het is niet verdwenen, het komt terug!

Het groeit zo langzaam als mos, maar het groeit, het gaat door het stopt niet, de ragfijne miniplantjes, ze zijn een wereld op zich en het is magisch dit alles. Het is een wonder wanneer het gebeurt, iemand kijkt goed en ziet het en gelukkig komt het terug.

Het laat zich niet stoppen

Als hij naar Parijs vertrokken is blijft zijn kant van het bed leeg. Waar normaal een ander lichaam slaapt ligt nu een stapel boeken en een schrift om in te schrijven.

In de vroege ochtend verdiep ik me in drang en in het leven van de Amerikaanse kunstenaar Alice Neel. Ik lees hoe haar echtgenoot verhuisde naar Parijs en Alice met hun dochter van nog geen twee achterliet bij zijn ouders die in Havana woonden. Hoe de schoonouders haar veroordeelden omdat ze wilde schilderen. Alice hield van haar dochter maar ze moest blijven schilderen, ze volgde de drang die haar naar Greenwich Village dreef. En ik lees hoe ze daar als een bezetene werkte en brieven schreef naar haar kind.

En in ons huis. De routine van op tijd naar bed en heel vroeg op. Inspiratie is een fabel, in de stille lege uren wordt het meeste werk verricht. Zwarte koffie drinken in bed. Voor de meisjes wakker worden al twee uur aan het werk. Als de lucht achter het schuine raam van nachtzwart in ochtendblauw verandert, het schrift volschrijven ook al weet je niet waartoe het leidt.

De gedachtes rechtstreeks uit de nacht op papier zetten en schetsen-aantekeningen maken tijdens het ontbijt. Op de achterkant van een schoolopdracht voor bio die ingeleverd is en bij het oud papier belandt. De twee gezichten van salmonella staat er geschreven, het papier in vieren geknipt en als kladpapier tussen een knijper gedaan. In mijn gedachten luidde de opdracht De twee gezichten van een kunstenaar.

Alice Neel volgde haar roeping in weerwil van de restricties van haar tijd. Heel hard aan een eigenzinnig oeuvre werkend zonder te weten of ze er ooit iets mee zou bereiken. Indringende portretten van haar kinderen en haar geliefden en de mensen die ze zag op straat. De doorbraak kwam pas toen ze al in de zestig was, ze werd wereldberoemd, maar ze had een rommelig leven geleid en de prijs die ze betaalde voor het succes was heel hoog.

En ik zit te schrijven met oranje inkt, de kleine papiertjes raken snel gevuld. Doorgaan zodat alles in elkaar overvloeit, het kind dat ernaast zit leest een boek en kijkt even op. Alle kleuren inkt zijn mogelijk, dit keer is het oranje, op kleine briefjes schrijven op het oranje tafelkleed dat nog plakt van de vorige avond, een sliertje prei, maar daarover gaat het nu niet.

Het gaat over drang. En over hoe je wordt meegevoerd door een opwindende stroom die door je lichaam giert en waaraan je gehoor moet geven onmiddellijk hier en nu, en dat het door de kieren van het gezin en het huishouden kolkt, het perst zich er doorheen, rustig aan is er niet bij. Dat de woorden – ze komen bruisend en denderend, je ziet het voor je je voelt de drang die ook zij gevoeld moet hebben, toen ze daar, en die maakte dat zij haar kind achterliet, en het was immers niet alleen háár schuld dat ze zwanger raakte, en wie moest de verantwoordelijkheid dragen, waar bleef de vader – het was het systeem, de schoonouders namen het over. Zij hielden de brieven die Alice aan haar dochter schreef achter. Ze hielpen het verhaal de wereld in dat Alice haar kind op de brandtrap was vergeten toen ze aan het werk was. Dat was niet waar, het was een verzinsel. Het was het systeem waarin een getalenteerde vrouw als Alice niet paste; ze was haar tijd ver vooruit.

Intussen zijn er dingen veranderd, en ook weer niet.

Twee maanden een echtgenoot in Parijs. Een leeg bed aan zijn kant, de boeken, het schrijfgerei, ze hebben zijn plaats ingenomen voor even. De drang laat zich niet te stoppen, erover schrijven met inkt in alle kleuren.