Geen lamento maar een nieuwjaarswens

Oh laat het stil worden en licht en helder als het heldere water van het meertje dat zich opent tussen de bomen als er niemand is de mensen met de honden zijn er niet op eerste kerstdag, als het meertje tussen de bomen de schemering wordt langzaam duister tussen de bomen maar erboven is het nog licht, het laatste licht van deze dag van dit jaar – het is er nog, de aardse tinten, het donkere bruin dat herinnert aan rood, het dorre gras dat geel in zich draagt, het licht oh het licht en de helderheid van het water als heldere gedachten in de nacht wanneer de slaap op zich laat wachten, buiten zitten op het bankje bij de achterdeur met een kop thee en één kaars die brandt, oh de helderheid van de nacht al is de lucht al weken grijs en laten maan en sterren zich niet zien – is het een straf? – maar de gedachten banen zich evengoed een weg door het grijs en hier te zitten het zal weer helder worden dat kan niet anders, ooit zal het helder worden ook buiten dat de sterren en de maan zichtbaar zijn en troost schenken, en nu opent het bos zich het meertje als een geschenk, en de stilte oh laat het stil zijn en stil blijven zoals hier, zodat we elkaar weer horen zoals hier op deze eerste kerstdag – de stilte om elkaar te horen, iedereen na elkaar en dat we elkaar laten uitpraten en dat alle stemmen klinken dat het stil wordt dat alle stemmen klinken in het laatste licht van dit jaar, laten we elkaar horen en ook zien laten we tevoorschijn komen vanachter onze schermen om elkaar weer te zien, de moeder met het kind voorop haar fiets, kijk een trein!, de moeder en haar kind kijken samen, zien de gele trein ze wijzen, ze zijn samen en delen het beeld recht voor hen een gele trein, de vader in de metro met het kleine kind op zijn borst de baby in de draagdoek geknoopt, hij kan het gezicht van de vader aanraken en kijkt aandachtig, ze lachen, de vader en zijn kind zijn samen in de drukte van de avondspits samen in dezelfde ruimte er zit niks tussen, elkaar zien en horen het kind lacht het kan nog niet praten maar het lacht en de vader hij lacht ook, het grote geluk van het pure contact, oh laten we alsjeblieft achter onze schermen, de verscheurdheid nee daarover ging het nu niet, het geluk van de moeder met haar kind voorop, de vader met zijn kind dichtbij het is er nog, godzijdank is het er nog al wordt het schaars als het licht dat schaars wordt in de avond, maar wat er is – het is nog niet verdwenen net als het laatste licht boven het water de restjes van deze dag dit jaar, en dan stilstaan en wachten tot het helemaal donker wordt, tot het diepe duister van de winternacht want eerst moet het diepduister worden voor het nieuwe licht het zal komen het donker en het grijs ze zullen wijken en dan zal het donker plaatsmaken voor het licht.

Hoe de spullen en de woorden

Een kamer met een deur die sluit. Een kamer die geen slaapkamer is waar verder niemand komt. En waar de dingen overzichtelijk zijn en helder in zichzelf.

In de kleine kamer met de deur die sluit staat het oude bureautje met een uitsparing in het blad, een gleuf om pennen in te leggen en aan de rechter kant een holte voor een potje inkt. Het flesje met de groene onuitwisbare inkt past er precies in. Het bureautje, de pennen, de inkt – maar geen stoel. Er is wel een logeerbed. Een opklapbed van de kringloop dat met stevige schroeven aan de muur bevestigd is. In dit bed wordt amper geslapen. In de nacht is het omhoog geklapt, dan heeft een gordijntje het matras verborgen.

Het bed is overdag uitgeklapt in plaats van ’s nachts. Om in het kleine kamertje, dat zo smal is dat bed en bureau elkaar bijna raken, het kleine kamertje als van een student bij een hospita in de jaren vijftig, een bloemetjesgordijn uit de jaren vijftig – om op de rand van het bed te zitten schrijven in een kamer met een deur die sluit. En waar je uitkijkt op een witte muur met een vlek; iemand heeft er met potlood een bloemetje van gemaakt. Je staart naar het tekeningetje, je denkt aan Annie Dillard*. In haar verzamelde essays merkt zij op dat haar werkkamer uitziet op een blinde muur en hoe goed dat werkt.

En boven het bed, op de plank waaraan het gordijntje hangt, de boeken. Daar staan de biografie van een bewonderde schrijver, de stapels romans die nog gelezen willen worden, van vrouwen die nog gelezen willen worden, en een woordenboek om zomaar in te bladeren. En al zit je er met je rug naartoe in de smalle kamer, je denkt dat hun stemmen klinken als het moeilijk wordt.

Een kamer met een deur die sluit. Uitzien op een blinde muur. Geen afleiding. Geen stoel. Doorgaan als het moeilijk wordt. De schoonheid blijven zien in kleine dingen.

Novemberschoonheid als alles verdort, als je door het kleine parkje, als de bomen hun gele blad bijna verloren zijn. Bladeren als ritselend papier, als ze vallen in de stilte van de middag. Door het parkje lopen. Een leegstaande broodfabriek met graffiti op de muur. De parkeerplaats waar een enkele auto staat. De kringloop, een ontmoetingsplaats voor spullen en mensen die tussen de Action en de supermarkt is ingeklemd.

De afdeling meubels is in de kelder, er staan veel stoelen in de kelder, in soorten en maten, in rekken boven elkaar. Eindeloos veel stoelen, maar de juiste staat er niet bij. De trap op weer naar boven – de stoel als excuus om hier nog even te zijn. Het witte licht van de tl-balken aan het plafond. Uit onzichtbare speakers klinkt popmuziek, hits van vroeger schallen door de ruimte, de grote hal met stellingkasten haaks tegen de muren. En hoe alles zorgvuldig soort bij soort is neergelegd, de spullen die liggen te wachten op een nieuw leven in een ander huis. Hoe de felle lamp licht werpt op een voorwerp dat opnieuw aantrekkelijk wordt. Een rode koffer om krantenknipsels en recensies in te bewaren, het ding is meer dan vijftig jaar oud maar nog helemaal heel en de sluiting werkt perfect.

En als je later weer op de rand van het bed, de rode koffer naast de radiator gepropt, er is nog steeds geen stoel, als je dan de laptop openklapt, dan zie je het opeens. Hoe de spullen en de woorden in een nieuwe context betekenis te geven.

* Annie Dillard, Schrijversleven, vertaald door Henny Corver, Atlas Contact (2022)

Het geel in de dag te zien

Dat je met een schok ontwaakt door een fel wit licht dat naar binnen schijnt als een witte priem die zich in een onbewuste toestand boort. Tevoorschijn komen uit een onrustige droom, het begint vaak met een droom.

In een ruimte te zijn die je niet kent. Is het een winkel? Verkopen ze spullen? Zijn er ook boeken? De muren zijn kaal, er is bijna geen kleur, het is een grote leegte. En daarin rond te dwalen, iets te zoeken, je bent het vergeten en de ruimte wordt groter, de muren raken steeds verder weg totdat ze zijn verdwenen, er is niets; geen mensen, geen spullen – je voelt je verloren.

Dan weet je het weer. Het was een dik boek met een okergeel omslag en een vrouwengezicht dat schuilgaat onder het geel. Er was om je mening gevraagd, je moest het lezen, er was haast bij, maar je kunt het niet vinden, er is niets. De paniek voelen opkomen vanuit je buik. De leegte, de akelige eenzaamheid, en je weet niet waarover het gaat, wat je erover zou kunnen zeggen. Het maakt je verdrietig dat ze onzichtbaar is geworden. En dan eindigt het met een schok als het felle witte licht, en nog een schok: je hebt je verslapen dat gebeurt anders nooit. Er klinken al stemmen van beneden je hebt haast om te gaan.

Om de zinnen te verzamelen als je opnieuw naar het water fietst; in de stroom te blijven voor de dag begint. Langs de bomen die er al stonden, ze zijn bijna kaal maar er hangt nog geel tussen het dorre bruin, langs het veld, de nevel erboven die het einde onzichtbaar maakt, de lucht is nat van dikke druppels, druppels glinsterend aan de takken.
En als daarna het geel boven het duin opkruipt, als je naakt en tintelgloeiend aan het water staat, als de wereld baadt in het geelgouden licht – als je daar staat dan weet je het opeens.

Het begint met één zin en daar dan bij te blijven. Ook al word je voortdurend afgeleid en draai je er omheen. Dan gaat het bijvoorbeeld over een man die langsloopt met een kind op de arm, het jongetje draagt een gele regenjas en dito laarzen, de zon schijnt, al het herfstblad licht op. Of over de citroengele paraplu die rondslingert in de slaapkamer, meegekomen van een logeerpartij, toen regende het heel hard en had je niks bij je zelfs geen jas. En natuurlijk gaat het over het boek met het okergele vlak over het vrouwengezicht*, het ligt in stapels in de boekhandel, er hangen posters, het geel knalt je tegemoet. Het lijkt alsof haar portret door het geel wordt uitgewist, maar dat is juist niet zo, zij heeft zich teruggeschreven uit een wereld die nauwelijks ruimte liet voor de wensen en talenten van vrouwen; zij heeft haar plek ingenomen en hoe ze dat doet is fenomenaal, het boek is prachtig en maakt je nederig, je leest het in de vroege ochtend, elke dag een uur anders krijg je het niet uit.

Met één zin beginnen en erbij blijven. Elke eerste zin en alle zinnen moeten opnieuw bevochten worden, net zoals je telkens in het koude water springt. Het gaat erom hoe bij die ene gedachte te blijven die iets duidelijk maakt. Dat je opeens weer het geel in de dag kunt zien, waar dat eerder niet ging. De rommeligheid in je hoofd, dat de paniek een monster werd dat alles onderweg had meegesleurd – en hoe dat was komt je nu voor als een droom.

Het geel te zien in deze dag, de dagen, ze zijn schitterend. Als je goed kijkt is er heel veel geel.

* Zoals zij het ziet van Alba de Céspedes verscheen onlangs bij Meridiaan Uitgevers en werd vertaald uit het Italiaans door Manon Smits, de oorspronkelijke uitgave is uit 1949