De dag is groen als het regent

De dag is zo groen als het groen dat in potten groeit en het regenwater gulzig in zich opneemt en uitbundig naar de hemel reikt. Een rotsplantje. De kleine gele bloemen op dunne steeltjes, wasachtige kleine blaadjes. Ze richten zich naar het licht in een moment van triomf, dit plantje dat de rest van het jaar heel dichtbij de grond heel langzaam de bodem bedekt. En in een langwerpige bak van aardewerk de vrouwenmantel, het blad dat zich heel langzaam kunstig openvouwt; de druppels worden als parels in het midden bewaard. Als het regent.

In de regen op de natte vlonders, als ze daar zit en de lucht is grijs. Onder een grijze lucht een felgekleurde paraplu. De regen die op de paraplu tikt alsof ze in een tentje zit. In gedachten keert ze terug naar een echte tent, een regenachtige vakantie in een tent aan de rivier.

Hoe ze daar rondliep. De schrijfspullen in een tas, een paarse plastic tas. Op blote voeten door de modder lopen, zoekend naar een een plekje om te kunnen werken. Picknicktafels met houten banken stonden verspreid over het terrein, maar de regen hield aan. Nergens was het droog, het veld werd een modderig slagveld, de tent een toevluchtsoord voor iedereen. En ze kochten paraplu’s bij de benzinepomp, een verlaten tankstation halverwege de weg die langs de camping liep, het waren grote paraplu’s met felgekleurde banen. Rondlopen over de camping onder zo’n paraplu, de tas als een boei om zich aan vast te klampen, een paarse tas met een citaat van de schrijver die een baken werd.

De regen die op de paraplu tikt alsof ze in een tentje zit.

En dat de dag ook nu weer groen is als het regent, de ochtend een groengrijze schemer. Op blote voeten op de koude stenen vloer, het voelt zo fijn als de vloer, schoongepoetst in de avond toen de afwas was gedaan, met het vuile sop dat in een teiltje in de gootsteen stond. Dat voelt zo heerlijk de volgende ochtend vroeg, dat het niet plakt en pikt, als de buitendeur openstaat en ze water kookt voor thee.

Theedrinken uit een zeegroene beker, dat was een cadeau van een kind, hij is nog niet kapotgevallen gestuiterd op de grijsgroene stenen vloer, de beker is er nog en op de bank, de groene bank onder een lichtgroene deken – er is heel veel groen in dit huis op deze dag – op de bank te zitten en thee te drinken en één kaars brandt op de piano.

Het schemergroene licht van de ochtend. Als het regent. De beelden die herinneringen zijn. De indrukken van die dag en alle dagen, welke kies je uit. Dat schreef zij ook. De beroemde schrijver. Een beroemde tekst. Alleen door die indrukken van een gewone maandag of dinsdag vast te leggen kun je ontdekken wat de belangrijkste zijn.

De regen die tikt op een paraplu alsof je in een tentje zit. Een rozet van groene origami in het hart van een plant. Blote voeten in de modder of op een schone vloer.

Een boom voor het raam

Het is jaren geleden. De zolder werd leeggehaald. In de stoffige ruimte kon je niet staan, er zaten gaten in het dak, er was asbest achter houten schotten verborgen.

Er stonden dozen met boeken, dozen met kleren, de winterkleren in de zomer, de zomerkleren als het winter was; kinderkleren die te schattig waren om weg te gooien, een poppenhuis met de meubeltjes netjes opgeborgen in een kleine doos ernaast, een slee voor als het ooit weer zou gaan sneeuwen – de zolder stond vol en hij moest leeg.
En het was toen, op een zonnige ochtend, een kartonnen doos die bijna door zijn bodem zakte, een verzameling schriften in een kinderpuberhandschrift geschreven – de doos werd rücksichtslos in een beweging weggegooid. De ik die met gekleurde ballpoints, in fluorescerend roze en groen en blauw bladzijden volgeschreven had, ze bestond niet meer, het kind de jonge vrouw, ze was in de papierbak verdwenen.

Hoe zij daar toen. In een kleine kamer met een hoogslaper, een lichtje om bij te lezen onder het plafond. Een lichtgroene mintgroene muur en de houten vloer die ze zelf wit geschilderd had. En onder het hoge bed een werkblad om huiswerk te maken met de radio aan. Te leren, te schrijven, om aan te zitten, en de schriften – daar onder het bed werden ze vol geschreven in felle kleuren zonder dat iemand het zag. Een kleine kamer aan de straat en voor het raam een boom een lindeboom.

En wat zij schreef. De kleine verhaaltjes vol ongeluk en schaamte. De dagen die met verlangens waren gevuld, ze werden niet gedeeld of uitgesproken, een dweperig verliefd zijn, een onbereikbare man die veel ouder was wat niemand wist – en was het waar of verzon ze alles bij elkaar, de schaamteloos slecht, erbarmelijk slecht geschreven zinnen die de pagina’s vulden en die niemand las. Een ik die nadrukkelijk aanwezig was – en ook weer niet want wie ze was of wie ze worden zou, ze had nog geen idee.

Ongelukkig zijn op de plek waar je woont, met de ouders die je hebt. Een broer, een zus of allebei. En ze praten te veel of juist te weinig, de mensen om je heen. Doe je genoeg, ben je wel nuttig, een carrière – mijn god, krijg je dit alles wel voor elkaar, of lummel je hang je doelloos rond. En de schaamte over dit alles, te bewegen in het niet weten hoe en wat – die schaamte in jezelf, te bewaren op plekken waar niemand komt. Het ongeluk dat schuilt in ieder mens.

Hoe zij nu. Aan een klein bureautje te zitten schrijven. Een kleine kamer aan de straat en voor het raam een boom, een andere boom. Schrijven moed verzamelen durven afdalen in wat vanbinnen leeft. In de ochtend thee maken, kokend water schenken op het knisperend gedroogde blad, de heel kleine geelgedroogde bloemetjes aan taaie steeltjes, bij de Marokkaanse supermarkt in de stad wordt het los verkocht in zakjes van een ons. Lindebloesemthee – lichtoranje gekleurd tegen roze aan als het in de theepot getrokken is, als ze met haar eigen meisjes. Elke ochtend lindebloesemthee bij het ontbijt.

En dan te denken hoe ze toen. De kleine puberkamer, de linde voor het raam, hoe ze daar zat. Het meisje lang geleden, het meisje onderweg naar vrouw. De lommerrijke straat, de zoete geur in het voorjaar als de avonden, het bleef lang licht ze rook hoe de zoete bloesemgeur naar binnen dreef en mengde met de rook, een eerste sigaret. Als zij met haar billen op de vensterbank, en dat die geur door het open raam, terwijl ze de rook naar buiten blies in de avond, en ze niet wist hoe het leven verderging.

Dit alles – het is verdwenen, het huis de boom de kamer met de hoogslaper ze zijn er niet meer, de ik die ze toen was is uitgewist. Nu zit ze in een andere kamer achter een bureau, het regent, het stof van de dagen is weggespoeld. Wie ze was en wie ze geworden is. Was het waar of had ze het verzonnen. Ze opent het raam en rookt een sigaret, de rook naar buiten blazen zodat niemand het ruikt.

Opstaan ontbijten de afwas de was

Een groene onderbroek is op het strandje achtergebleven, het is maat 122-128, een jongensbroekje van de Hema met een patroon van draken, half onder het zand verstopt, kwijtgeraakt tijdens het spel. Een kind dat met blote billen, gauw een warme handdoek om hem heen gewikkeld, en het gaf niet want thuis liggen de schone netjes in de lade, de kast in zijn jongenskamer, het frisgewassen ondergoed – bij thuiskomst heeft hij een nieuwe onderbroek gepakt, ook van de Hema met een patroon van rode en blauwe autootjes.
En in de vroege ochtend is het water nog fris, dan zijn er geen spelende kinderen die onderbroeken vergeten, de lucht net zo koel als het water, binnen hetzelfde als buiten. Als je erin staat, als het water tot je navel komt. Stil te staan naakt in het groen, de groene weerspiegeling de bomen er omheen, te denken: maar binnen is niet buiten en dat dat zo lastig is. Bij momenten niet te verdragen. Wat er buiten gaande is.

En wat we doen. Opstaan, ontbijten, de afwas de was. De badkamer poetsen op maandagochtend dan denk ik aan mijn broer, die altijd als ik hem probeer te bellen de badkamer poetst. Waar die van ons groezelig wordt tot het niet meer kan – de randen zwart, tandpastaspetters op de spiegel, de vloer glibberig – is het bij hem de schoonste kamer van het huis.

Als kind gingen we op zijn verjaardag naar de dierentuin, elk jaar naar een ander park. En mijn moeder vond de dierentuin stiekem ook heel leuk, toen zij zestig werd gingen we nog één keer met het gezin. Het was middenin de zomer maar het regende die dag, we kochten van die dunne regenjassen die je zo over je kleren aantrekt, meer dan een dun soort folie is het niet, je kunt ze maar één keer gebruiken. En we liepen in de gele jassen en aten zelfgesmeerde boterhammen en dat het regende maakte niet uit, er stonden nergens rijen voor de hokken, we liepen door het park, het was een heerlijke dag.

Ik moet er onwillekeurig aan denken. De doorschijnende regenjassen van lichtgeel plastic. Ik zie een filmpje en denk aan de gele regenjassen in de dierentuin van toen.

Het filmpje werd rondgestuurd. Meestal klik ik dat soort filmpjes weg, maar dit keer niet, ik had het geopend. Guernica, de stad in noord Spanje die in 1937 was gebombardeerd door de nazi’s tijdens de Spaanse burgeroorlog, historische beelden van lang geleden in zwart-wit glijden langs. En dan krijgen de beelden kleur, het lijken dezelfde skeletten van huizen, afbrokkelende flatgebouwen, een verwoeste stad in puin – maar nu zijn ze gekleurd. Hier hebben kort geleden nog mensen gewoond, hier leefden en werkten mannen en vrouwen, ze brachten hun kinderen naar school, kookten een avondmaal, gezinnen sliepen in hun eigen bed. Dat was kort geleden. Nu zien we de beelden van ruïnes waaruit elke menselijke aanwezigheid is verdwenen.

We kennen de beelden en wat we doen. Wat in godsnaam te doen. Opstaan ontbijten de afwas de was.

In het Guernica van nu. In de Noord-Spaanse stad op het grote plein. Er worden gekleurde lapjes neergelegd op de grond, in groen en rood en wit volgens een specifiek patroon. De mensen trekken van die wegwerpregenjassen aan in groen en rood en wit en gaan staan in het specifieke patroon. Volgens de aanwijzingen stelt iedereen zich op zoals het bedoeld is, en langzaam ontstaat het beeld. Van bovenaf wordt zichtbaar wat hier in stilte en op vreedzame wijze wordt uitgedrukt. Dat deze mensen zich nog herinneren, al is het generaties geleden, dat dit eerder is gebeurd. De solidariteit. Zwijgend op een plein te staan, te laten weten: wij zien jullie. Is dat wat je kunt doen, wat kunnen we doen?

Opstaan ontbijten de afwas. Hoe wij hier doorleven, een verloren onderbroek op een strandje na een zonnige dag, de horror van de mensen die alles zijn kwijtgeraakt. En wij kijken toe vanaf een scherm of een klein schermpje, we kijken toe en de tranen, ik schaam me, wat kunnen we doen, ik doe niks.

Opstaan ontbijten een filmpje kijken en in stilte huilen. Opstaan.