Scherf

Wanneer je in de vroege ochtend van huis vertrekt om naar je ouders te gaan, slapen de kinderen nog. Zodra je de snelweg afdraait, de provinciale weg op, beneemt een dikke wolk je het zicht, alsof je een tunnel inrijdt. Het heeft gevroren aan de grond, de mist hangt dik en wit boven de velden en lost heel langzaam op. In de opkomende zon lichten de bomen met witte bloesems langs het water op alsof het gesneeuwd heeft. Vanaf het ouderlijk huis nemen jullie de fiets, volgen een van de geheime paadjes van je moeder, die de uitgestrekte bossen kent als haar broekzak. Zij speelde hier als kind, in de achtertuin van haar grootouders die grensde aan de hei. Het landschap vormde het decor van de verhalen die ze verzon om haar leven thuis dragelijk te maken. Vlakbij de spoorbaan zetten jullie de fietsen tegen het hek, steken over en gaan lopend verder. Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe zij hier als meisje liep; ze dartelt in feite nog steeds als een kind door de wereld. Ze vertelt graag en uitvoerig over wat ze weet en ziet, en neemt het vaak niet al te nauw met hoe de dingen werkelijk gegaan zijn. Intussen ben je opgehouden haar te verbeteren, je luistert naar haar verhalen. Ze wijst je de ontluikende lijsterbes, neemt je me mee naar het veld met lelietjes-van-dalen, en laat alle verschillende soorten heide zien. Op een kleine helling, die onopvallend in het landschap opbolt, groeit een zeldzaam soort rendiermos. Daar ging ze later, als jonge vrouw vaak zitten met haar schetsboek. In de bocht terug, vlak voor de spoorlijn, vindt ze een zonnig plekje uit de wind. Daar komt een andere kwaliteit van haar te pas. Niemand kan betere picknicks aanrichten dan zij; zelfs iets eenvoudigs als koffie met taart wordt met haar een feestje. Samen roken jullie een sigaar, een gewoonte die je recentelijk van haar hebt overgenomen. Op de terugweg voor de spoorwegovergang, vangt je oog tussen de stenen iets blauws; achteloos raap je de glinsterende potscherf op en stopt hem in je broekzak. Je rijdt naar huis, de vertrouwde weg die je al zo vaak ging. Op zolder leg je de scherf in een glazen doosje op je schrijftafel, het is precies de kleur ultramarijn waar je moeder zo van houdt.

Mijn dochter is zo doof als Beethoven

Mijn dochter is zo doof als Beethoven. Wanneer hij bezoek ontving, en er werd hard in zijn oor gesproken, kon hij de woorden verstaan – zo is duidelijk geworden uit nieuwe persoonlijke documenten. In zijn tijd hadden we haar ook doof genoemd, nu heet ons kind slechthorend. Met haar hoortoestel en cochleair implantaat komt ze een heel eind in de horende wereld. Maar als we samen onder de douche staan hoort ze me niet. Leunt ze met haar naakte lichaampje tegen mijn buik, mijn armen om haar heen geslagen, dan kan ik zeggen wat ik wil, zelfs de trilling van het geluid voelt ze niet. Pas als ik mijn mond tegen haar oor houd, om rechtstreeks in de schelp te praten, dan licht er iets op.

Er zijn momenten dat ze er voor kiest om doof te zijn. In de ochtend leest ze in bed, haar toestel op het nachtkastje. Zij praat wel, maar hoort mij niet, en zichzelf ook niet, waardoor haar stem anders klinkt, als van een heel jong kind. Ik zet de radio aan, vouw een was op de voorzolder, zij ligt in ons grote bed in de kamer ernaast. Nog is zij in haar geluidloze wereld. Om contact te maken gebruiken we onze handen; ik tik haar aan en gebaar dat ik naar beneden ga om thee te zetten.

Later vraag ik of ze het fijn vindt om niet meteen te horen bij het wakker worden. Ze kijkt me aan en glimlacht. Ja dat is fijn, snap je dat? Ik zie het maar kan het niet werkelijk begrijpen, dat is jóuw wereld. Heb jij ook een wereld, hoe ziet die eruit? Mijn wereld is stilte.

Niet veel later komt er een dove vrouw in de boekhandel waar ik werk. Ik hoor aan haar stem dat ze niet hoort, en zie hoe aandachtig ze naar mij kijkt om te begrijpen wat ik zeg. Vroeger werd gedacht dat dove mensen ook iets aan hun hoofd mankeren. Zodra de vrouw begint te praten met haar handen wordt een fijngevoeligheid en intelligentie zichtbaar die de gedachte aan achterlijkheid onmiddellijk doet verdwijnen. In mijn gebrekkige gebarentaal probeer ik te antwoorden, ik spreek daarbij de woorden extra duidelijk uit zodat zij van mijn lippen kan lezen. Zij is opgegroeid in een andere tijd, zonder gehoortest direct na de geboorte, en zij heeft er ook later niet voor gekozen een hoorhulpmiddel in haar hoofd te laten implanteren. Zij hoort nog steeds helemaal niets, maar zij is evengoed een zelfbewuste vrouw en niets verhindert haar om in de boekhandel een boek aan te schaffen.

Later zie ik haar achterin de winkel met haar man praten. Gebarende mensen dreigen uit het straatbeeld te verdwijnen, omdat de meeste kinderen snel na de geboorte een CI krijgen, de gebaren minder nodig hebben, er niet meer mee worden opgevoed. Dit is een zegen voor de spraakontwikkeling, maar zorgt ervoor dat de dovencultuur onder druk staat. Mijn blik blijft haken aan de twee mensen die in totale stilte met hun handen praten, de stille wereld waarin ook mijn kind leeft – wanneer ze ervoor kiest.

In het witte huis op de heuvel

Voor mijn verjaardag stuurde mijn tante een brief; meer een gedicht eigenlijk. Sindsdien probeer ik haar te bereiken, dat is nu al weken geleden. Ik denk aan het grote witte huis, aan het einde van de straat, in het dorp dat nog geen negenhonderd inwoners telt. Vanuit het raam aan de achterkant kijk je uit over het veld, het uitzicht wordt door niets belemmerd, en in de verte zijn de heuvels te zien, de uitlopers van het Zwarte Woud. Ik denk vaak aan haar, het huis maakt ook deel uit van mijn leven, van mijn kindertijd; zij was daar altijd.

Dan belt zij, op de rode huistelefoon die haast niemand meer gebruikt. Het is in de ochtend, de dag is kleurloos. Zodra ik haar stem hoor, ben ik daar en zijn de zorgen verdwenen. We spreken over de kinderen, de scholen, de mondkapjes en wat al niet. Maar niet te lang. Ik vertel haar over het boek dat ik zojuist las; over een vrouw die alleen woont, in Schotland op een berg. Ik zou het voor haar willen kopen, naar haar toe rijden om het te geven. Maar dat gaat nu niet, we kunnen nergens heen. Zij luistert waar ze meestal veel praat.

Het gesprek stopt; het kind roept aan tafel, ik moet verder met de boekhouding. Een half uur later gaat de rode telefoon opnieuw. Zij is het weer, mijn tante, haar stem klinkt nu breekbaar, maar opgetogen. Zij heeft de boekhandel gebeld. Het boek kan morgen bezorgd worden! Ik legt neer, het is even stil. Ik denk aan de twee vrouwen, de ene op de eenzame berg, de ander alleen in het grote witte huis op de heuvel.

Het leven heeft geen plot

De regen klettert tegen het raam en stroomt in kleine beekjes naar beneden. Ik denk aan hoe het de vorige keer was. Kraakheldere dagen, met een strakblauwe lucht en veel scherp zonlicht; alsof de natuur een grap met ons uithaalde. In mijn herinnering is die tijd verworden tot een surrealistisch tafereel, waarin ik elke ochtend vroeg door de lege straten liep. Nu rijgen de grijze dagen zich vormeloos aaneen, en moet ik in het schoolschema van mijn dochter kijken om te weten welke dag het is. Alle houvast is verdwenen. Ik loop naar zolder, twee trappen op, om de was op te hangen die nog vochtig in de machine zit. Op de radio vertelt iemand dat het buitenbad in Amsterdam al geopend is, en dat het storm loopt – al is het nog pas januari. Dan weer naar beneden, er staat een tas boodschappen op het aanrecht; een pot chocopasta omdat het oudste kind klaagt dat we te weinig normaal broodbeleg hebben. Het jongste kind leert intussen over breuken. Ze moet vouwblaadjes in vier stukken knippen, steeds op een andere manier, mama dan is het toch steeds ¼ vraagt ze. Ik bel mijn moeder om te horen hoe het daar gaat. Mijn vader heeft een boek bij de boekhandel besteld, ik vraag of het per fiets werd bezorgd. Dan haal ik brood uit de vriezer voor de lunch en loop weer naar boven. Mijn schrijftafel ligt bezaaid met waterobservaties, maar het lukt niet er een geheel van te maken, al denk ik de hele week aan water. Het leven heeft geen plot, en mijn dagen ook niet.

Poëzie van het dagelijks leven

Het regent al dagen, je kunt je koffie niet buiten drinken. Je kijkt door het raam, het is nog donker, er zijn weer geen sterren. Eén blauw-groene kerstbal hangt nog aan een tak, eronder brandt een lichtje. We weten niet hoe lang dit nog duurt, we klagen niet, het kan veel erger. Je plakt gedichten op de koele houten vloer. Je dochter schrijft op het white-board in haar kamer over Boeken die kwijt zijn. Dat doet je denken aan Toon Tellegen; Taarten die kwijt zijn – ook zoiets.

Je denkt terug aan de zomer, die al vreemd was. Hoe jullie in de boomgaard kampeerden; het regende ook de hele dag, je viel halverwege in slaap, raakte verstrikt in je slaapzak, een dik vest als kussen. En hoe het tóen aan het einde weer opklaarde en droog werd. Hoe de kinderen aandrongen op vuur, er was een vuurplaats achterin een hoekje verscholen. Ze gingen de tenten langs, want met z’n vieren was het ook zo saai. En zij zaten als eerste klaar, een zak marshmallows was in de gauwigheid bij de Spar gekocht. Aan afstand houden dacht niemand meer.

Een kinderstem komt de trap op en sijpelt naar binnen. De douche gaat aan, geruis van water. Ook dat is poëzie van het dagelijks leven. Iedereen zijn eigen ruimte, en alle ruimte van iedereen.

Bij het vuur werd een lied ingezet. een fles ging rond. De schemer verdiepte zich en het werd langzaam donker. Het vuur brandde rood en geel, gezichten werden heet. En hoe plots uit het niets een groep mannen naderde, opdoemde uit de duisternis. De vrijwillige brandweer, hun dienst zat erop, ze dronken een pilsje en staarden zwijgend in de smeulende resten.

Beneden is het andere kind heel boos. Jij met je vuur schreeuwt ze, haar ogen flikkeren. Het huiswerk lukt niet, ze komt niet in de google-drive waar de antwoorden staan, alles is sowieso stom. Beneden aan de trap begint zij te gillen, het enige dat rest, daar kan geen zelfgebakken bananenbrood tegenop. Zonder het vuur te doven sluip je het huis uit.

De moeder

Na de geboorte van hun tweede dochter, besloot de moeder thuis te blijven. Dit was een herkansing. Ze zat in een café, de baby slapend onder het schapenvachtje in de wagen, en dronk een kop thee. Intussen schreef ze een brief aan haar nichtje. Het ging over het grote geluk dat haar nu toeviel, en waarvan ze wist dat de nicht iets soortgelijks ervaarde.

Maar toen werd ze op oudejaarsavond gebeld door de vrouw met een naam uit een sprookje – die evenwel, zo bleek later, niets sprookjesachtigs had. Of ze wilde komen werken in het kantoor in Amsterdam, de dagen mocht ze zelf kiezen, de uren zelf bepalen, zodat het zou passen. Het perspectief van de moeder kantelde. Hoewel dit een kans was die zich niet elke dag voordeed, wist ze wat dit voor het leven thuis zou betekenen. Haar man zei: Als jij wilt, organiseren we het, maar je hoeft het niet te doen. Later kon ze de overwegingen die haar tot het besluit brachten niet meer terughalen, maar ze nam het aanbod aan en ging. De moeder liet de kinderen achter bij de oppas – de jongste nog geen jaar – en verdween uit hun wereld.

In het begin had ze het gevoel dat het belangrijk was wat ze deed; dat ze een zekere invloed had die opwindend was. Op feestjes – voorzover die er waren – waren mensen nu geïnteresseerd in wat zij deed. Voorheen was het: Oh, je bent verkóópster… Nu vroegen ze haar uit. En ze kon dan verhalen over de ingewikkelde logistieke processen, over het belang van dit bedrijf binnen het vak; dat de inkoopcombinatie een partij was om rekening mee te houden. Ze had het gevoel dat dit alles ook op haar afstraalde, al was ze in de praktijk een kleine schakel. Vanbinnen echter wist ze: die verkoopster – dát ben ik.

Vijf jaar ging de moeder op en neer. Zo vroeg van huis dat ze de ochtendspits voor was en kon zitten in de trein. De seizoenen volgend aan de hand van het licht: kon ze door het raampje buiten de polder alweer ontwaren? Zag ze de nevel boven de velden, de hemel in de verte kleuren? Ze was al weggefietst voor de meisjes wakker werden, geruisloos vertrokken in het donker. Eenmaal op het kantoor, stuurde ze een filmpje om hen een fijne dag te wensen. Voor hen was het onduidelijk wat zij daar in het verre Amsterdam deed – en dat wist ze zelf ook steeds minder goed.

In die jaren volgde ze steeds dezelfde routine. Zij deed als eerste de lichten aan in de kale ruimte, met de eenvormige bureaus in een u-vorm. In de pantry schudde ze de slaap van zich af, terwijl ze wachtte tot het espresso-apparaat was opgewarmd. Intussen moed verzamelend om het werk aan te vatten, de abstracte, onbegrijpelijke handelingen te verrichten waarmee de dag zich langzaam vulde. Het waren taken die niets te maken hadden met de liefde voor boeken – waarmee dit alles ooit begon. Hier hadden boeken plaatsgemaakt voor cijfers.

De wereld van de kinderen thuis bestond uit eerste stapjes, eerste woordjes, eerste letters. Bij het jongste meisje verliep de overgang van peuter naar kleuter razendsnel: ze liep voor haar tweede, fietste al voor haar derde verjaardag. Het oudste meisje had haar eigen onnavolgbare weg die anders was. De moeder was in die jaren altijd moe en sliep slecht. Op het kantoor probeerde ze dit te verbergen, maar in de metro viel ze in slaap. Soms zat ze op de wc te huilen, daarna veegde ze de tranen weg, plensde koud water in haar gezicht en ging weer door. Dat ze één kind had waar iets mee aan de hand was, dat wist een enkeling wel. Maar wat het betekent om een doof kind te hebben, daarvan wisten ze niets, en konden ze ook niets weten want zij deelde het niet. Zij had altijd haar onkreukbare gezicht op als ze daar was. Ze was een prettige, gewaardeerde collega, maar buiten het werk had ze met niemand contact. Aan het einde van de dag stapte ze weer uit de metro in de trein, en fietste naar huis.

Gaandeweg groeit de twijfel; het begint te schuiven. En ook daarover laat zij zich niet uit. Het komt dan ook volledig uit het niets wanneer de moeder na vijf jaar op het kantoor haar vertrek aankondigt. Op een stralende dag in mei legt zij de ontslagbrief op het bureau van haar baas – die in grote verbazing achterblijft.

Met het opruimen van haar werkplek op de laatste dag, overziet zij de periode die ze hier heeft doorgebracht. Wat er in die tijd thuis allemaal heeft plaatsgevonden was hier nooit aan de orde geweest, en toch is ze niet onderuit gegaan. Nog één keer kijkt ze naar buiten; ze ziet het vertrouwde uitzicht aan de achterkant, met nog meer kantoren in hoge flats. Binnen ziet ze de smerige lamellen die ooit wit waren geweest, ze ziet het ladenblok waar ze haar eigen koffiecupjes, thee en koekjes in bewaarde. En terwijl ze daar zit valt de gedachte in dat als haar leidinggevende beter gekeken had, of ooit tijd voor haar had genomen – dat dit bericht dan niet als een schok had hoeven komen. Nu pakt de moeder de doos met haar persoonlijke spullen onder de arm en vertrekt. Ze neemt voor het laatst de lift naar beneden, en gaat door de draaideur naar buiten, het felle zonlicht in.

Het regent voor het eerst sinds dit begon

Het regent voor het eerst sinds dit begon. Hopelijk houdt het aan, zodat de grond verzadigd raakt. Het voorjaar is in alle hevigheid losgebarsten, bomen bloeien overdadig, maar de grond is zo droog als geroosterd brood. Beneden spelen de kinderen pingpong op de eetkamertafel; hun stemmen klinken door tot boven, al is de deur dicht. Ik heb genoeg van ze, wil ze niet om me heen. Niet praten, zorgen, redderen, opruimen.

Daarom reed ik vanochtend naar het Milieuplein om het hout van de zandbak weg te brengen. Deze bak maakte mijn vader tien jaar geleden voor de verjaardag van onze oudste dochter. De laatste jaren deed het ding dienst als plantenbak op ons dakterras. Tot-ie dit voorjaar uit elkaar begon te vallen omdat het hout was gaan rotten. Op een zonnige zaterdagmiddag heb ik de bak leeggeschept; twintig zakken zand naar beneden gedragen. Het hout stond nog steeds op het plaatsje bij de achterdeur.

Er staat een lange rij auto’s, voor mij een oranje volkswagen busje dat helemaal volgepropt zit met oude rommel. Het busje staat stil, ik vraag me af of ik in de juiste rij sta. Een medewerker van Spaarnelanden loopt langs: we staan goed, we wachten allemaal. Intussen luister ik ongestoord naar Radio 4. Het journaal van tien uur meldt dat in Oostenrijk de maatregelen versoepeld worden: mensen mogen nu ook weer naar buiten voor iets anders dan een boodschap. Er zijn in Oostenrijk 500 mensen overleden, dat lijkt me heel weinig.

Na driekwartier nader ik de slagboom. Ik zie grote grijpkranen als gespreide vingers oude ijzeren spullen van de Schrootrunner takelen en laten vallen in een container. Er liggen zeker vijf schepen met schroot in het Spaarne. Naast het zwarte hek staan felgekleurde kliko’s voor verschillende soorten afval. Tussen de tegels bloeien de klaprozen. Eindelijk mag ik doorrijden, omhoog naar de verschillende afdelinkjes voor soorten afval: ijzer, papier, plastic en hout. De mannen staan in hun oranje hesjes om alles in goede banen te leiden. Niemand heeft haast; het is meivakantie, we gaan nergens heen. Als ik thuiskom bakken we een brood.