Spullen die achterbleven en vergeten zijn

Ze kijkt naar de kast. De oude kast in het voorportaal van het tuinhuis waar ze in de avond haar intrek neemt, een kast die de hele wand bedekt met vele laden. Naar de kast kijken en denken: elk vakje zijn eigen verhaal.

De lades een voor een opentrekken in verrukking als was ze een kind. Er is een lade met kerstballen van mondgeblazen glas aan een gouden touwtje om in de boom te hangen. Een lade met stukken koraal, roomwitte grillige brokken steen die onder water is gegroeid. Er zijn lades met spullen om mee te naaien, en er zijn oude dozen met stempels erin. Letterstempels van hout om woorden en zinnen in groene inkt, een stempelkussen met groene inkt ligt erbij. De vakjes de verhalen zonder plot met stempels op grote vellen papier ze aan een slinger op te hangen in de ruimte.

En wat was het verhaal toen ze later fietsend door de duinen ging, van het blauwe naar het groene meer, op haar oude fiets met een rammeltje dat de stilte doorbrak. Een stille zomervroege ochtend toen alles nog open lag. Het oude wijde vest over een pyjama, de deur van het tuinhuis viel in het slot. Het zonlicht dat in gouden banen door het dichte groen, op een kleine open plek het dikke mos verlicht. Toen ze daar ging, een steile helling, de tocht die in de benen zat, het lichaam dat alles onthield.
Het wijde losse dat de zomer typeert, toen ze in het wijde vest dat om haar lichaam hing in de wind, toen ze doelloos rondjes fietste in de duinen voor ze op een bankje in de vroege ochtend, een bankje gevonden om zich over te geven aan de stilte.

De wind die stormachtig was en aan takken rukte, het had wel herfst geleken, maar de wind was gekalmeerd en er restte slechts ruis. Geruis in de bomen als een zachte ademstroom, een ademhaling in rust, waarvoor je niets hoeft te doen. Luisteren naar de vogels en de wind het is zomer het gaat vanzelf.

Er lag een vestje naast het bankje op de grond. Half verscholen onder het zand, de wind van de vorige avond. Een zwart Adidas-vestje met gouden strepen. En zij pakte het op, ze wilde het over de leuning hangen, iemand was het vergeten en kwam er vast voor terug, zo’n vest waaraan je gehecht raakt, zijzelf zou eraan gehecht zijn geraakt. Ze had het opgeraapt en uitgeschud en toen zag ze het, waarom het hier lag en bijna onder het zand verdwenen was. Een mouw hing los als een gebroken arm, er zat een groot gat waar de gladde stof kapot gescheurd was. Niet vergeten maar onbruikbaar geworden, laten liggen als een vod.
Er was iets uit de zak gevallen. Ze bukte zich om het op te rapen. Een klein glimmend doosje, een wit doosje met een klepje dat openklapt met een klik. Het groene lampje ging branden, de airpods waren nog opgeladen. Een kostbaar kleinood, netjes opgeborgen in de wit-glimmende verpakking en achter het bankje op een verlaten plek in de duinen op de grond gevallen.
Het vestje waardeloos achtergelaten, wat in de zak zat werd vergeten. De vrouw nam de spullen mee, het vest zou ze later, ze zou het in een container voor kledingafval doen. En de airpods – er was thuis een kind dat er blij mee zou zijn.

Het gaat over de spullen en niet over mensen. Wat weten we over andere mensen. Wat is het verhaal?

Ze komt terug bij de kast. Rondfietsen door de duinen en terugkomen bij de kast met al die lades, er op een krukje voor gaan zitten, er in verwondering naar kijken.

De spullen om mee te naaien. De naalden en spelden en bandjes en lint. Stof die in kleine vierkantjes is geknipt. Om met borduurzijde op een lapje, de initialen van iemand die je dierbaar is. Mooie katoen van goede kwaliteit in verschillende kleuren, verfijnde motieven uit een andere tijd. Ze strijkt over haar gezicht. Zachtjes met het zachte materiaal over haar wang te gaan, ze doet haar ogen dicht, ze voelt de stof die heel oud moet zijn.

Het ging over een Adidas-vestje dat voor vuil werd achtergelaten en onder het zand verdween. Of over de zachte lichte stof die zorgvuldig in een lade was opgeborgen om iets van te maken. Het zijn de verhalen zonder plot die aan een slinger worden opgehangen. Over spullen die achterbleven en vergeten zijn.

De dag is groen als het regent

De dag is zo groen als het groen dat in potten groeit en het regenwater gulzig in zich opneemt en uitbundig naar de hemel reikt. Een rotsplantje. De kleine gele bloemen op dunne steeltjes, wasachtige kleine blaadjes. Ze richten zich naar het licht in een moment van triomf, dit plantje dat de rest van het jaar heel dichtbij de grond heel langzaam de bodem bedekt. En in een langwerpige bak van aardewerk de vrouwenmantel, het blad dat zich heel langzaam kunstig openvouwt; de druppels worden als parels in het midden bewaard. Als het regent.

In de regen op de natte vlonders, als ze daar zit en de lucht is grijs. Onder een grijze lucht een felgekleurde paraplu. De regen die op de paraplu tikt alsof ze in een tentje zit. In gedachten keert ze terug naar een echte tent, een regenachtige vakantie in een tent aan de rivier.

Hoe ze daar rondliep. De schrijfspullen in een tas, een paarse plastic tas. Op blote voeten door de modder lopen, zoekend naar een een plekje om te kunnen werken. Picknicktafels met houten banken stonden verspreid over het terrein, maar de regen hield aan. Nergens was het droog, het veld werd een modderig slagveld, de tent een toevluchtsoord voor iedereen. En ze kochten paraplu’s bij de benzinepomp, een verlaten tankstation halverwege de weg die langs de camping liep, het waren grote paraplu’s met felgekleurde banen. Rondlopen over de camping onder zo’n paraplu, de tas als een boei om zich aan vast te klampen, een paarse tas met een citaat van de schrijver die een baken werd.

De regen die op de paraplu tikt alsof ze in een tentje zit.

En dat de dag ook nu weer groen is als het regent, de ochtend een groengrijze schemer. Op blote voeten op de koude stenen vloer, het voelt zo fijn als de vloer, schoongepoetst in de avond toen de afwas was gedaan, met het vuile sop dat in een teiltje in de gootsteen stond. Dat voelt zo heerlijk de volgende ochtend vroeg, dat het niet plakt en pikt, als de buitendeur openstaat en ze water kookt voor thee.

Theedrinken uit een zeegroene beker, dat was een cadeau van een kind, hij is nog niet kapotgevallen gestuiterd op de grijsgroene stenen vloer, de beker is er nog en op de bank, de groene bank onder een lichtgroene deken – er is heel veel groen in dit huis op deze dag – op de bank te zitten en thee te drinken en één kaars brandt op de piano.

Het schemergroene licht van de ochtend. Als het regent. De beelden die herinneringen zijn. De indrukken van die dag en alle dagen, welke kies je uit. Dat schreef zij ook. De beroemde schrijver. Een beroemde tekst. Alleen door die indrukken van een gewone maandag of dinsdag vast te leggen kun je ontdekken wat de belangrijkste zijn.

De regen die tikt op een paraplu alsof je in een tentje zit. Een rozet van groene origami in het hart van een plant. Blote voeten in de modder of op een schone vloer.

Een boom voor het raam

Het is jaren geleden. De zolder werd leeggehaald. In de stoffige ruimte kon je niet staan, er zaten gaten in het dak, er was asbest achter houten schotten verborgen.

Er stonden dozen met boeken, dozen met kleren, de winterkleren in de zomer, de zomerkleren als het winter was; kinderkleren die te schattig waren om weg te gooien, een poppenhuis met de meubeltjes netjes opgeborgen in een kleine doos ernaast, een slee voor als het ooit weer zou gaan sneeuwen – de zolder stond vol en hij moest leeg.
En het was toen, op een zonnige ochtend, een kartonnen doos die bijna door zijn bodem zakte, een verzameling schriften in een kinderpuberhandschrift geschreven – de doos werd rücksichtslos in een beweging weggegooid. De ik die met gekleurde ballpoints, in fluorescerend roze en groen en blauw bladzijden volgeschreven had, ze bestond niet meer, het kind de jonge vrouw, ze was in de papierbak verdwenen.

Hoe zij daar toen. In een kleine kamer met een hoogslaper, een lichtje om bij te lezen onder het plafond. Een lichtgroene mintgroene muur en de houten vloer die ze zelf wit geschilderd had. En onder het hoge bed een werkblad om huiswerk te maken met de radio aan. Te leren, te schrijven, om aan te zitten, en de schriften – daar onder het bed werden ze vol geschreven in felle kleuren zonder dat iemand het zag. Een kleine kamer aan de straat en voor het raam een boom een lindeboom.

En wat zij schreef. De kleine verhaaltjes vol ongeluk en schaamte. De dagen die met verlangens waren gevuld, ze werden niet gedeeld of uitgesproken, een dweperig verliefd zijn, een onbereikbare man die veel ouder was wat niemand wist – en was het waar of verzon ze alles bij elkaar, de schaamteloos slecht, erbarmelijk slecht geschreven zinnen die de pagina’s vulden en die niemand las. Een ik die nadrukkelijk aanwezig was – en ook weer niet want wie ze was of wie ze worden zou, ze had nog geen idee.

Ongelukkig zijn op de plek waar je woont, met de ouders die je hebt. Een broer, een zus of allebei. En ze praten te veel of juist te weinig, de mensen om je heen. Doe je genoeg, ben je wel nuttig, een carrière – mijn god, krijg je dit alles wel voor elkaar, of lummel je hang je doelloos rond. En de schaamte over dit alles, te bewegen in het niet weten hoe en wat – die schaamte in jezelf, te bewaren op plekken waar niemand komt. Het ongeluk dat schuilt in ieder mens.

Hoe zij nu. Aan een klein bureautje te zitten schrijven. Een kleine kamer aan de straat en voor het raam een boom, een andere boom. Schrijven moed verzamelen durven afdalen in wat vanbinnen leeft. In de ochtend thee maken, kokend water schenken op het knisperend gedroogde blad, de heel kleine geelgedroogde bloemetjes aan taaie steeltjes, bij de Marokkaanse supermarkt in de stad wordt het los verkocht in zakjes van een ons. Lindebloesemthee – lichtoranje gekleurd tegen roze aan als het in de theepot getrokken is, als ze met haar eigen meisjes. Elke ochtend lindebloesemthee bij het ontbijt.

En dan te denken hoe ze toen. De kleine puberkamer, de linde voor het raam, hoe ze daar zat. Het meisje lang geleden, het meisje onderweg naar vrouw. De lommerrijke straat, de zoete geur in het voorjaar als de avonden, het bleef lang licht ze rook hoe de zoete bloesemgeur naar binnen dreef en mengde met de rook, een eerste sigaret. Als zij met haar billen op de vensterbank, en dat die geur door het open raam, terwijl ze de rook naar buiten blies in de avond, en ze niet wist hoe het leven verderging.

Dit alles – het is verdwenen, het huis de boom de kamer met de hoogslaper ze zijn er niet meer, de ik die ze toen was is uitgewist. Nu zit ze in een andere kamer achter een bureau, het regent, het stof van de dagen is weggespoeld. Wie ze was en wie ze geworden is. Was het waar of had ze het verzonnen. Ze opent het raam en rookt een sigaret, de rook naar buiten blazen zodat niemand het ruikt.